|
-
RIVERBOYS !!
-
STADIONBUURT, EEN
KEURIGE BUURT
-
JUFFROUW POTJEWIJD
-
STILSTAANKRIJGERTJE OM DE PISBAK
-
10 MEI 1940
-
MIDDELBARE SCHOOL
-
HET
DAGELIJKS LEVEN IN DE JAREN DERTIG
-
WANDBORDJE
-
HET MASKER AF
-
SCHAARS
-
SLUITSTUK
-
LOPEND TERUG
NIEUW
- WIE SCHRIJFT,
DIE BLIJFT NIEUW
RIVERBOYS !!
De nieuwe RAI
was er natuurlijk nog niet, op die plaats was een mooi groot
zandterrein.
De bezetting was er al wel, want we spreken over zomer 1940
maar nog zonder directe ingrijpende gevolgen.
Honkbal was al aardig bekend in die tijd, dat kwam mede
omdat nèt voor de oorlog een Amerikaans studententeam,
Seagulls, meen ik, meespeelde in de competitie.
Bovendien speelden we honkbal op de “4e drie”, de 4e HBS met
3-jarige cursus in de P.L.Takstraat in Amsterdam. Recht
tegenover die school was de “2e O” de 2e Openbare
Handelsschool waar ook gespeeld werd.
De P.L.Takstraat ligt in het verlengde van de Waalstraat en
er waren veel leerlingen afkomstig uit de Rivierenbuurt en –
zoals ik zelf – uit de Stadionbuurt. Veel Joodse leerlingen
dus ook, maar dat was voor ons niet van belang.
Honkbal vonden we wèl belangrijk en zo kwam het dat steeds
meer jongens ook buiten school een balletje gingen gooien op
dat zandterrein bij het Scheldeplein en - zodra er genoeg
mensen waren en materiaal - een partijtje spelen.
Ik kan wel zeggen dat we er vrijwel elke avond waren en dan
was het gooien, grondballen nonchalant met één hand opvegen
(en het zandland was echt niet egaal) hoge ballen vangen in
volle ren, steeds maar weer en tot slot speelden we een paar
innings. Tot het donker werd.
We werden goed, heel goed, zeker voor onze leeftijd. Maar
dat kon ook bijna niet anders met zoveel trainingsuren. Toen
kwam iemand met HET idee : laten we competitie gaan spelen,
als buurtclub. De naam was ook gauw gevonden : Riverboys.
Het mocht niet zo zijn. Later in 1941 kwamen de anti Joodse
maatregelen van de bezetter, de registratie, de ster,
avondklok en aparte joodse scholen. En het einde van
Riverboys nog voor het werkelijk begonnen was..........
Wat overbleef is een herinnering aan een groep enthousiaste
jongens van rond de 15/16 jaar waarvan een groot aantal niet
veel ouder heeft mogen worden.
Een enkeling heb ik na de bevrijding nog wel teruggezien,
Hans van Stratum, Sieg Parser, even groetend in het
voorbijgaan. We hadden allemaal haast.
Nu, 70 jaar later, wil ik toch nog even de sportvriendjes
van toen in herinnering brengen:
Riverboys !!
Ben Okker - 24
januari 2010
digiben
(ad) planet.nl
Lees ook:
Vijftig jaar Europaplein >>
STADIONBUURT, EEN
KEURIGE BUURT
Wij, de
Amsterdamse jeugd van de dertiger jaren, waren in de
Stadionbuurt wel erg bevoorrecht. Wat daar niet te doen was!
Thuis (huizen met een badkamer, mind you) zowel als buiten.
Daar hadden we het zandland bijvoorbeeld. Aan de overkant
van het water van de Stadionkade ( nu de Goudkust en
Buitenveldert ) was een grote zandvlakte tot aan de de
Zuidelijke wandelweg aan toe. Dat heette ook het Zandland en
daar zaten zomers moeders met kinderen waarvan sommige ook
in het water van de Stadionkade zwommen. Anderen schuwden
dat: “kun je ziekte van Weill van krijgen “.
Met de jongens
voetbalden we daar. Ongestoord ! Er liepen ook ‘enge mannen’
werd gezegd en inderdaad zag je soms een eenzame figuur vaak
met een fits aan de hand achter op het zandland lopen.
Misschien wel zedenpolitie, denk ik nu. Toen had de politie
nog tijd voor surveilleren.
Dat bleek als we op straat - in ons geval meest op de van
Tuyll van Serooskerkenweg 25/1 - voetbalden. Langs de huizen
werden we door de bewoners weggejaagd. Maar er waren ook
“middenpaadjes” door het grasveld midden op de straat. Die
waren breed en aan iedere kant stond zelfs een bank. Als we
daar een balletje trapten had niemand last maar om duistere
redenen mocht het niet. Als de politieagent heel langzaam
kwam aanfietsen stopten we en gingen op de banken zitten,
maar hij had het meestal gezien en dan werd de bal (meestal
een oude tennisbal) afgenomen en triomfantelijk meegenomen
tussen de dubbele stang van zijn politiefiets. Als ik
terugdenk moet ik toegeven: ze stonden hun mannetje”.
Honkballen deden wij op het Stadionplein, midden voor het
Stadion. Onder het beeld van een sportman ( bijnaam
Jan-met-de-handjes ) die de Olympische groet bracht met de
opgeheven rechter arm. Zo werd ons tenminste verteld. Nou,
dan was Mussert zeker ook een atleet.
Regelmatig waren er wedstrijden in het Stadion, Blauwwit
voetbalde er er, verder wielrennen soms achter de grote
motoren. Honkbal op de bijvelden.
Wij kenden wel vijf manieren om zonder betalen binnen te
komen. Vaak achternagezeten door de suppoosten onder leiding
van Chris Berger (ja, de vader van Ellis Berger). Maar ze
kregen ons niet te pakken alleen al omdat wij tussen de
spijlen van de hekken naar de tribunes door konden. Zij
niet.
We hadden ook het Schinkelzwembad. Dat was een kwartiertje
lopen maar alleen dat was al een avontuur. Eerst langs de
“rietlanden” Dan moest je over de hoge spoorbrug heen. Het
treintje naar Amstelveen en Aalsmeer ging er onder door. We
stonden soms een kwartier op de brug om op de trein te
wachten. En dan van bovenaf proberen in de pijp van de
locomotief te spugen !
Het Schinkelzwembad was eigenlijk een soort pier gebouwd in
het Nieuwemeer. Daarop stonden badhokjes met deurtjes en
jongenskleedkamers en soort lange abri zonder. De pier was
in een vierkant gebouwd apart voor mannen en vrouwen (zo
heette dat toen nog) en in het midden waren de bassins, een
diep en een ondiep. De bodem as gewoon de zandgrond van het
Nieuwemeer. Als de wind op het bad stond dreef er kroos en
op stille dagen legde de badmeester Kas een hengeltje in het
diepe.
Gemengd zwemmen was er geloof ik een paar maal per week maar
dan mochten de vrouwen alleen bij de mannen. Andersom was
verboden.
Toegangsprijs 3 cent. Mijn moeder gaf ons brood mee, dan was
ze ons voor weinig geld een hele tijd kwijt. Bij de ingang
zat een badmeester of juffrouw naast een soort geldautomaat,
die ook op gemeente bussen gebruikt werd. Een soort glazen
spaarpot met een bodem die omgekiept kon worden. Dan viel
het geld in een gesloten metalen doos. Ze zagen dus de drie
cent liggen en klapten dan de bodem om. Onze truc was met
een paar jongens vlak achterelkaar er de centen in te gooien
waarbij de laatste een of twee cent achterhield. Dan werd
het onoverzichtelijk. Dat geld werd later versnoept bij een
kioskje, dat kennelijk voor dat doel er was. Aanbod genoeg
voor 1 cent.
In de hongerwinter hebben mijn broer en ik geholpen aan het
slopen van de treden van de brug en bielzen van de spoor
voor verwarming en koken. Zelf had ik na heel lang werken
een biels losgehaald toen een man met een bouvier ( dus een
stille smeris, neem ik aan ) me te pakken nam. Ik moest
helpen het hout op een fiets te leggen terwijl die hond me
bleef aankijken. “Laat ik je niet weer zien” dreigde hij en
liet me gaan. Ja, dat was geen smeris of een die het thuis
ook koud had, maar wat begin je tegen zo’n hond?
Ik zat op de Spartaschool aan de Stadionkade. Een
openluchtschool! Aan de kant waar niet de wind op stond
gingen langs de hele wand de schuifdeuren open. Er was
vloerverwarming dan het was ‘s winters heerlijk stiekem je
schoenen uit te doen en zo je voeten te verwarmen. Er waren
dagen dat je je jas mocht aanhouden en dat was wel nodig
ook.
Als het vroor gingen we schaatsen op de Stadionkade en soms
ook achter het Stadion op de Nieuwemeer. Links en rechts
naast de ingang van de school was nog braakliggend land.
Voor schooltijd werd daar gevoetbald. Later werden er dure
herenhuizen op gebouwd maar ter compensatie hebben wij nog
een jaartje op de bouw kunnen rondhangen. Wat me ook
bijgebleven is is het feit dat we in de dertiger jaren er
een aantal nieuwe scholieren bij kregen die aanvankelijk nog
geen Nederlands spraken.
Allochtonen avant la lettre ? Zeker niet: het waren joodse
vluchtelingen en Duitsland en plotseling hadden we er een
Heinz bij, een Anneliese en een Ralph. Zonder inburgering
problemen, Heinz speelde al gauw linksbinnen in ons
schoolelftal.
Waren we zulke brave borsten in die jaren? Nou, dat dacht ik
niet!
We kenden luilakdag (zaterdag voor Pinkster) Hartjesdag (ik
meen derde maandag in augustus), dan had de politie volgens
de toen geldende normen de handen vol.
Hartjesdag werd gevierd met vuurwerk. Ik mocht alleen
sterretjes kopen maar dat was beneden onze waardigheid.
Rotjes, vuurpijlen en zevenklappers, dan telde je mee.
Er waren nog geen standaard vuilnisbakken, ieder had een bak
naar eigen keuze.
Nou, wie zo stom was zijn bak buiten laten met hartjesdag
herkende zijn eigen materiaal niet meer terug.
Op luilak werd afgerekend met mensen waar wij last van
hadden gehad, Die hadden geklaagd bij onze ouders of, nog
erger, de politie gebeld voor overlast als wij rustig
voetbalde. Nonsens, er brak maar zelden een
raam..............
Bij die mensen werden deuren vastgebonden en drukbellen
vastgezet met een lucifer die we zo afbraken dat er bijna
geen uithalen aan was. Hier en daar werden de traproeden uit
een traploper gehaald . Dat ging makkelijk want met een
loper (universele sleutel) kon je ieder trapportaal in.
Maar we hadden ook intelligentere spelletjes. Mijn ouders
kwamen eens thuis van een feestje met een wonderlijk goed
gelijkende rubber hondenhoop. Hij voelde ook nog aan, zoals
een echte drol wel zou moeten aanvoelen, dachten we. Tja,
dan moet je er iets mee doen. Uit de naaidoos van mijn
moeder haalden we wat koperen gordijnringen die we poetsten
tot ze blonken. Eén werd voor de helft in de hoop gedrukt en
voor de de op de stoep gelegd. Wij natuurlijk boven(we
woonden éénhoog) voor het raam naar buiten kijken. Nou, zo
leer je mensen kennen.
De stiekemerd stond stil, deed net of hij zijn schoen
vastmaakte en pakte met een papiertje de ring en hup, in de
broekzak. Maling aan de hoop. goud is goud.
Een nettere stond langer te kijken. Je zag ‘m denken: tja,
goud is goud maar die vieze drol. Bah. Zakdoek uit de zak,
tussen duim en wijsvinger de ring gepakt, pakketje
dichtvouwen en in de zak.
En dan het makkelijke type. Heee, een gouwe ring. Kan mij
die drol schelen, daar helpen water en zeep straks wel
tegen. Oppakken en wegstoppen.
Ja, ook in de
keurige Stadionbuurt was gevarieerd publiek.
Ben Okker - 25
januari 2010
digiben
(ad) planet.nl
JUFFROUW POTJEWIJD
De eerste schreden die tot mijn niet geringe ontwikkeling
hebben geleid waren op de voorbereidende school in de
Agamemnonstraat. Het “kakschooltje” van juffrouw Potjewijd.
Geloof me of niet, zo heette die dame werkelijk.
Vijfentwintig jaar later ging mijn
zoon naar datzelfde schooltje. Dat had een upgrading
ondergaan, het had nu een naam: de Blauwe Reiger.
Vervolgens kwam, ik vertelde het reeds, de Spartaschool,
de “openluchtschool voor het gezonde kind”. Dat
klinkt als “voor kneusies geen plaats” maar dat lag in de
praktijk toch wel anders.
Mijn eerste onderwijzeres was juffrouw Wilmes. Wat ik me van
haar herinner is dat ze je oor beetpakte en een halve slag
ronddraaide als zij vond dat je vervelend was. Aan mijn oren
te zien was ik dat klaarblijkelijk vaak.
In de laatste twee klassen kreeg je een meester. Maar dat
veranderde. Als hoofdonderwijzer hadden we meester Spigt,
een ouderwetse man met een sikje en met bijbehorende
denkbeelden.
Onze school was gelegen tussen de (Christelijke) Moria
School en de (ook openbare) Olympiaschool. Toen beide
buurscholen ijsvrij hadden gingen wij naar meester Spigt
voor gelijke rechten. Die zei slechts: “ik heb een brede
rug” en draaide zich om om dat te demonstreren. In de klas
hadden we meester de Moor en aan de
school was ook een stoker verbonden (vloerverwarming 'n
radiator was zinloos voor de open zijwand) die we ook met
stoker aanspraken.
Tot meester Spigt eind 1939, ons laatste schooljaar met
pensioen ging en door ene meester Heyboer als ‘hoofd’ werd
opgevolgd. Die deed meteen energiek de ronde:
“je hebt een meester timmerman en meester metselaar
maar onderwijzers worden met mijnheer aangesproken”. Juf kon
ook niet meer: juffrouw. Ook de stoker werd mijnheer Angelon,
die naam hoorde ik toen na 5 jaar voor het eerst.
Heyboer had het meteen bij ons zesde klassers gedaan.
Mijnheer Heyboer ging verder. Al die onhebbelijke streken op
b.v. luilakdag moesten ook afgelopen zijn. Om (meen
ik) 6 uur ‘s morgens op de zaterdag
voor Pinksteren moesten we bij school verzamelen om gepast
luilak te vieren.
‘Dat kan hij niet maken’ vonden wij 6e klassers en na elkaar
opgejut te hebben ‘dat vertikken we, onze eigen , daar heeft
hij niets over te zeggen.’
We waren het echt van plan te boycotten maar of we het op
het grote moment ook gedurfd hadden............ ??
Niemand zal dat ooit weten. Die ochtend was iedereen vroeg
uit bed want het was zaterdag 10 mei 1940 , de dag van de
Duitse inval.
Toen wij veel later zelf weer in de Stadionbuurt kwamen
wonen ging mijn zoon - de geschiedenis herhaalt zich - naar
de Spartaschool.
Mijnheer Heyboer was er nog schoolhoofd, juffrouw Wilmes was
met pensioen maar kwam daar nog wel op speciale dagen.
Ik sprak haar een keer met mijn misschien 7 jarige zoon.
“Als hij bijles nodig heeft weet je me te vinden,
hè?” zei ze en voegde er aan
toe: “je hebt toch goede herinneringen aan mij?”
Ik kon het niet laten en heb haar aan mijn verdraaide oren
herinnerd......... Misschien niet aardig maar zeker wel
juist.
Hoe was het leven verder in de dertiger jaren? Voor ons
leuk en zorgeloos. We speelden op straat, ik noemde
al luilak- en hartjesdag, voetbalden op het zandland en in
het schoolelftal.
Vooral de straat was het land van avontuur.
“Bakkie achter” was de kreet als er een b.v. groenteman met
z’n paard en wagen aankwam. Dan gingen we achter aan die kar
hangen en reden mee. Dat werd later ook met vrachtauto’s
gedaan, maar dat was linke soep. Ik heb een keer een half
uur terug moeten lopen omdat de man zo snel reed dat ik er
niet meer vanaf durfde te springen.
Achter de ziekenauto aan: kijken wij er gehaald of gebracht
werd.
Voor mijn broer en mij een extra attractie: een oom reed als
verpleger op zo’n ambulance en als die ons zag en aansprak
waren de jongen stink jaloers. De straat muzikanten: de
Volendammers b.v. echt of niet, ze waren in wijde broeken en
op klompen. Er was een straatzanger met accordeon die
opera’s speelde en zong. Dan gingen de ramen open en werd
veel kleingeld (in een papiertje) naar beneden gegooid.
Later stond ik eens op lijn 6 op de Overtoom en daar kwam
die zanger aangeschoten de tram op. “Man, zonde van je geld”
zei de conducteur vermanend, want iedereen kende hem. “Eén
uurtje met Martha langs de gracht, ik heb het weer verdiend”, zei onze
zanger.
Aan de roep kon je alle venters herkennen.
Helemoniepotteghonie” was een bloemenman die begonia’s in de
pot verkocht. “Bolletjebol” verkocht Berliner bollen, hij
voegde er nog aan toe: “lekker bij de koffie,lekker bij de
thee”. Er liep ook een man met hoedendozen, een met zure
bommen.
Er liep ook een venter met de zondagskrant, de Cetum.
Als hij riep de Cetum riepen wij : steek ‘m in je zak en
vergeetum.
Hij werd iedere keer weer kwaad terwijl wij toch nòg meer
aandacht op hem vestigden.
Tja, we leerden al vroeg: ondank is ‘s werelds loon.
Ben Okker - 27
januari 2010
STILSTAANKRIJGERTJE OM DE PISBAK
Toch nog maar even op straat
blijven, er was zoveel te beleven in de Stadionbuurt.
Mijn broer en ik waren bekend als de Okkertjes, maar we
waren niet uniek hoor. Je had de Snotjes (dat waren er drie)
rooie Appie, rooie Cor, dikke Merel, Odol Paul (zijn nek en
hoofd houding leken op het bekende Odolflesje) ga maar door.
Het lijkt nu op penoze maar als er al kwaad bij zat dan was
het kattenkwaad.
Op het Stadionplein waren de twee bekende grote kiosken, de
Vami huisjes. Maar er waren ook twee hele grote urinoirs.
Multibakken, ik denk wel 6 bij 6 meter, smalle ingang en
hier en daar in de houten zijwand een laag gat,
waarschijnlijk de luchtverversing. Gebouwd vermoed ik voor
de Olympische Spelen. Het was een van de dingen die je niet
thuis aan tafel vertelde natuurlijk maar daar speelden we
“stilstaankrijgertje om de pisbak” Tja, we waren als jeugd
niet veeleisend !
Voor het Stadion stond het beeld van “Jan-met-de-handjes” op
een stenen sokkel, zo’n 60 cm breed schat ik nu. Daarop
hadden we met krijt een horizontale streep getrokken op knie
en op schouderhoogte schouderhoogte. Je kon dan honkballen
zonder catcher. Buiten de streep was een wijdbal, er tussen
slag. Aan één werper en een slagman had je genoeg om te
trainen, was je met meer dan werd er al gauw een partijtje
gespeeld. We hadden er zelfs vaak toeschouwers, ook “echte
honkballers”. Ik herinner me o.m Wim Geestman, werper van
Quick, misschien de eerste Nederlandse honkbalclub.
Als we uit school kwamen moesten we ons - terecht - eerst
thuis melden. Dan lag er meestal een boodschappenbriefje
klaar. Het was in de jaren dat mensen zich nog realiseerden
wat geld inkoop kostte. Dus voor “twee biefstukjes van een
ons” mochten we niet naar slager van de Werff of slager
Broekhof, die beiden in onze straat zaten, maar moest ik b.v.
naar Lotgering, op de Stadionweg bij de Sintelbaan. Verder
stonden Tabak (groenteman) in de Amazonenstraat en de
P.Gruyter (“Piet de dief”) in de Achillestraat vaak op het
lijstje. Die laatste gaf namelijk op 10 gulden bons een
gulden terug en zo spaarde moeder. Ik zie overigens die rode
bonnetjes nog voor me.
Die winkels waren de moeite waard. Langs de toonbank meestal
een rij koekblikken met glazen deksel. Dan kon je
likkebaarden. Brusselse kermis, knappertjes, Maria, Lange
Vingers, Café Noir, ga zo maar door. Achter de toonbank
langs de muur veel open vakken met losse handel. Je werd
uiteraard geholpen en de kruidenier woog dan alles af: half
pondje suiker? Gewone, bruine of basterd suiker? Koffie in
talrijke soorten. In open vakken bruine bonen, kapucijners,
gedroogde appeltjes, gedroogde pruimen.
Dat brengt me tot slot op een mooie herinnering: Rooie Appie
had twee witte muizen thuis in een doos. Waarschijnlijk op
een zolderkamer want zijn moeder was de zaak al geruime tijd
uit het oog verloren. Toen ze er weer zich op kreeg bleken
het er minstens een dozijn te zijn en dat bood weer mooie
perspectieven voor een verder groeiende populatie. “Die
dingen de deur uit” moet ze gezegd hebben, en op Appies
“hoe?” moet gevolgd zijn: ”kan me niet schelen als ze maar
weg zijn”. Er werd buiten met de jongens vergaderd maar
niemand kon er mee thuiskomen.
Maar jongens vinden oplossingen, altijd. Met z’n allen werd
er na winkelsluiting geslopen naar de Vana, (afscheiding van
Van Amerongen) de kruidenier van Tuyll van Serooskerkenweg /
Jasonstraat en door de brievenbus werden voorzichtig één
voor één de muizen door de brievenbus gegooid. Volgens de
daders zijn ze in gesloten gelederen naar het vak met bonen
zijn gelopen : ze waren in luilekkerland !
Ben Okker - 28
januari 2010
digiben
(ad) planet.nl
10 MEI
1940
Waardoor, kan
ik me niet meer herinneren maar een feit is: we werden
allemaal heel vroeg wakker. Lawaai op straat: iedereen was
al op de been. Je hoorde radio’s met een ernstige
mannenstem: “bericht luchtwachtdienst . . . . ” en uit het
raam van ons slaapkamertje (achter in de woning Jasonstraat
16) zag je richting Schiphol rook opstijgen.
De moffen waren
de grens over gestoken en meer nog: op verschillende
plaatsen waren parachutisten gedropt uit die lompe Ju 52
toestellen. Ik was 13 jaar toen en me is bijgebleven dat ik
de straat op ben gegaan maar toch vrij dicht van ons huis
ben gebleven.
Oorlog: wat dat was wisten we een beetje van de foto’s van
China, toen het in oorlog met de jappen was en vanuit
Spanje: de burgeroorlog. Daar stonden vernielde steden op en
puinhopen. Toen ik op het Stadionplein liep en naar de
huizen om me heen keek dacht ik daar aan.
De sirenes gingen loeien bij luchtalarm, maar die werden
waarschijnlijk bediend door een nerveus type: vaak zagen we
niets en kwam er niets en kwam na korte tijd weer het
signaal voor veilig: één lange gerekte giltoon. De eerste
keer dat we ‘s nachts luchtalarm hadden nam mijn vader
resoluut de leiding. “Allemaal de badkamer in”. Dat zou de
maximale bescherming geven door de granieten vloeren boven
ons. Een voordeel van de eerste verdieping !
Over het verloop van deze oorlog is op andere plaatsen en
momenten zeer verantwoord en in chronologische volgorde
geschreven. Ik schrijf verder uit mijn herinnering zonder de
juiste volgorde der gebeurtenissen na te slaan. Wel herinner
ik me dat na de capitulatie van ons land ik voor het eerst
geconfronteerd werd met een bericht dat een Duits/Joodse
familie op de Stadionweg zelfmoord had gepleegd. Alle
gaskranen in de keuken waren open. Zij hadden al hun
ervaring met de nazi’s !
Na de intocht van de moffen werd o.m. Spartaschool door ze
in gebruik genomen en onze klas moest naar de Cliostraat. In
mijn herinnering veranderde er aanvankelijk niet veel,
buiten de aanwezigheid van de bezetter dan. De troepen
marcheerden zingend door de straten: “und wir fahren gegen
Engeland” in strikt marstempo. Wij jongens riepen er dan
achteraan: ”plons, plons, plons” in hetzelfde ritme. Er kwam
een totale verduistering, censuur (kranten) en steeds meer
artikelen verdwenen uit de winkels.
De NSB-ers zagen hun koren bloeien en marcheerden in zwarte
outfit en laarzen ook zingend (misschien een toontje lager)
gelijk de grote broers. Zij vormden de WA (Weer Afdeling) en
zongen; “De WA marcheert, voor Volk & Vaderland” Ja, je moet
ergens voor marcheren.
De WA koos meermalen een route door de joodse buurt, sloeg
er graag op los als men alleen al kritiek vermoedde en dar
leidde tot de dood van één van de zwarthemden: Koot.
Hierover is voor belangstellenden veel documentatie op I-net
te vinden, ook de oude politiearchieven en stadsarchief
Amsterdam.
Ook de jeugd liet zich niet onbetuigd De NSB jongens en
meisjes kwamen in de jeugdstorm en werden ervan overtuigd
dat de toekomst aan hun was. Men sprak van de Nieuwe Orde.
(Lege borde, zeiden wij andersdenkenden dan.)
Op het Roelof Hartplein was Huize Lydia en daarin werden
moffenmeiden (onze aanduiding) ondergebracht, die voor de
weermacht werkten. Ze schenen een uitgebreidere taak te
hebben dan alleen kantoorwerk, want er raakten er nogal wat
in verwachting. Daar werd voor gezorgd in de Boerhave
Kliniek, die door de Amsterdammers al gauw Baarhoeve Kliniek
werd gedoopt.
De avondklok kwam ook, iedereen moest om 8 uur binnen zijn.
Samenscholen was verboden. Ook begonnen de maatregelen tegen
de Joden. Café’s, bioscopen enz. : verboden voor joden.
Op de tram: alleen staand op het voorbalkon. En men moest
zich melden als men één of meer joodse grootouders had.
Nou, die had ik. Twee, die ik nooit bewust gekend heb omdat
ze resp, in 1927 en 1928 waren overleden en ik december 1926
was geboren. Dat betekende tevens dat mijn vader onder de
rassenwetten viel en aanvankelijk thuis kwam te zitten. Hij
was vindingrijk en begon sigaretten te maken.
Tabak, clandestien gekocht uiteraard. Omdat hij 'every inch
a gentleman' was ( ja, de appel valt .....) draaide en likte
hij niet maar werkte hygiënisch. Hij kocht hulzen met
mondstuk (i.p.v. vloeitjes) en had er een langwerpig metalen
apparaatje bij dat je open kon klappen. Shag er in, als een
injectienaald in de papierenhuls, terugtrekken maar met de
duim de tabak tegenhouden en bingo, een sigaret. Even het
pluimpje shag aan het eind keurig afknippen en dat weer
gebruiken voor verdere productie. Het spul werd geleverd
door Yohaï.
Lijkt me een joodse naam, nou dan waren de sigaretten
misschien nog kosjer ook.
Ben Okker - 28
januari 2010
digiben
(ad) planet.nl
MIDDELBARE SCHOOL
Hoe ging het
in die periode op de 4e 3 & 2e OHS? (=Openbare
Handelsschool, red.) U weet wel de twee middelbare
scholen in de P.L.Takstraat. Z’n gangetje zeggen we dan.
Beiden zaten samen in één gebouw dus hadden variabele
tijden. Af en toe begon je om 8 uur ‘s morgens en op andere
dagen later en eindigde je tegen 6 uur. Aan het hoofd stond
dr. D.M.E. Habbema, zijn vakgebied was Engels maar hij gaf
niet regelmatig les.
Dr DME had de
gewoonte te snuiven en daarna een geluid te maken dat klonk
als “gom”.
Was er een leraar niet, dan viel hij wel in en probeerde ons
duidelijk te maken, hoe weinig we eigenlijk wel wisten.
Snif-gom. We hadden figuren in de klas die uitstekend hun
lachen konden inhouden en hem duidelijk hoorbaar na sniften
en gomden. Dan had ik het heel moeilijk.
Verder kenden we “Jopie” Bolen, Nederlands, mej. dr
Dalhuisen wiskunde (de dakluis) Sjappie (z’n naam ben ik
kwijt) voor Engels en natuurkunde van dhr Stracke. Die had
(toen al, mind you) een klein verticaal snorretje onder de
onderlip, vandaar de bijnaam “de slurf”. Rooswinkel (voor
gym) was kennelijk in de tropen geweest. Als we op één
fluitsignaal moesten rennen, op twee moesten springen en op
drie moesten bukken (snel achter elkaar) en het liep
uiteraard mis dan zei hij subtiel ”inlanders kunnen
tenminste nog tot 3 tellen, satoe, doea en tiga. Alles wat
meer is heet banjak, veel. Jullie zijn stommer dan
inlanders”. Waarvan akte.
Op een dag stonden er toen de school uitging een aantal
jeugdstormers buiten met hun lijfblad ‘de Stormmeeuw’ of
zoiets. Ik weet het niet zeker meer, maar het was wel een
niet zindelijke vogel. Wij vertikten om het blad aan te
nemen, er werden opmerkingen gemaakt over en weer en de
heren waren in de minderheid toen het knokken dreigde te
worden. Ze deden hun naam eer aan, ze stormden, weg, dit
maal. Een paar dagen later hadden jongens die bij het raam
zaten het al gezien: er stonden dit keer een heleboel
jeugdstormers buiten. Het ging van mond tot mond en we waren
er klaar voor. Maar dat feest ging niet door. Dr. Habbema
deed de rond en deelde ons mede: “jullie (snif/gom) mogen in
kleine groepjes naar buiten. Eerst verzamelen in de hal.
Tja, je kunt niet altijd winnen maar ditmaal was het besluit
niet onverstandig.
Maar we hadden geluk, geen van de leraren was “fout”,
Even voor nieuwkomers:” pro Duits was fout”.
De mof deed ook aan geschiedvervalsing. Al onze
geschiedenisboeken (òns eigendom, want je moest ze kopen,
nieuw of gebruikt op de boekenbeurs) werden ingenomen en
kwamen gecensureerd terug. De Duitse rol in de geschiedenis
werd herschreven. Het aantal Franse en Engelse lessen werd
teruggebracht, daarvoor kwam Duits in de plaats. Op een dag
moesten we allemaal onze agenda op de bank (ja, we hadden
geen tafels maar solide banken, geen DSB) . In de Tjeenk
Willink agenda stond voorin geen bloot mokkel maar een
portret van H.M. Koningin Wilhelmina . Dat werd er uit
gescheurd.
Toen de eerste anti Joodse maatregelen kwamen moesten al
snel de joodse leerlingen en leraren van school af. Dat
betekende voor onze klas dat we o.m. Boebie Moscou, André
Herzberger, Robbie Mansfeld, Stephan Koester, Ralf
Blumenthal en Willy Loewenthal kwijt raakten en ik mijn
honkbalmaatje Sieg Parsser uit de parallelklas. Ze gingen
naar de joodse HBS op de Mauritskade. Hoe het precies zat
weet ik niet meer, maar later was ook de tram en (denk ik)
de fiets verboden voor sterdragenden, want je zag veel
“grote” jongens en meisjes op de autopet naar school gaan.
Waar de kennis
vandaan kwam, Joost mag het weten, maar de huisvrouwen
bleken onder de steeds verslechterende omstandigheden
multifunctioneel.
Toen er nog eieren te koop waren werden die zoveel mogelijk
ingelegd in (meen ik) waterglas. Ze zaten bij ons thuis in
een emmer met die geleiachtige substantie en bleven
inderdaad héél lang goed. Er kwam ook een grote inmaakpot
thuis: witte kool werd gesneden, telkens een laag kool en
dan een laag zout in de pot. Als de pot vol was kwam er een
plankje bovenop en een zware steen, een “kinderhoofdje.” En
ra ra, wat maakte je dan met die witte kool ?: In één keer
goed: zuurkool.
Die steen “sprokkelden” we ergens op straat, want stelen
mochten we niet van onze ouders.
Was er nog sprake van humor in die jaren ? Reken maar van
yes ! Ook later, toen het pas echt slecht werd !
Om U te overtuigen een paar voorbeelden:
Een van de toppers uit Duitsland naast Hitler, Goering en
Goebbels was Rudolph Hess. Die vluchtte op een gegeven
moment met een vliegtuigje naar Engeland. Waar hij overigens
wel werd opgesloten.
Wat werd verteld: “ Hess had zijn collega’s een telegram
gestuurd:
Plenty to eat, plenty to smoke,
Doe net zo mesjokke als ik
Kom ook.
De in ons land benoemde Rijkscommissaris Seyss Inquart (een
Oostenrijker) liep mank. Dit was gauw verklaard.
Zes-en-een-kwart (zijn nickname) had geen kruis in zijn
broek maar een hakenkruis. Nou moest hij telkens over dat
haakje heenstappen !
Ben Okker - 29
januari 2010
digiben
(ad) planet.nl
HET
DAGELIJKS LEVEN IN DE JAREN DERTIG
Even het
verhaal rond de bezetting onderbreken om nog wat meer te
vertellen over het dagelijks leven einde van de jaren 30.
Het was druk aan
de deur. De melkboer kwam langs, meest met een soort
bakfiets met daarop twee grote melkbussen en in het midden
een kastje voor kleinere zaken, pakje boter, eieren en
flesjes melk, yoghurt en karnemelk. De meeste huisvrouwen
kochten de melk los, per liter of halve liter want dat was
goedkoper dan per fles. Ondanks het feit dat je statiegeld
terugkreeg. De melkboer liep overal de trappen naar één,
twee en driehoog om soms de mededeling te krijgen: ”nee
melkboer, vandaag niet”. Hij had dan een een metalen melkbus
bij zich, inhoud 10 liter schat ik nu, plus zijn metalen
‘maatbeker’ waar een halve liter in ging. De huisvrouw lette
wel op dat hij die goed vol had en recht hield, je moest
niets tekort komen. De rauwe melk moest gekookt worden - dan
kwam er een vel op waar je bijna op kon lopen, anders was
het - zei men - ongezond.
Met een mooie bruine handkar met een grote deksel kwam de
bakker. Halve, hele bruine broden en broodjes in soorten:
kadetjes, puntjes, luxe broodjes enz. Tegen de hongerwinter
liepen er nog wat bakkers met een politieagent naast hun
kar.
De bode kwam ook aan de deur. Je verzekerde je voor de
onverhoopt noodzakelijke uitgaven: het begrafenisfonds (ook
dooiefonds) ziekenfonds, brand & inbraak en bij mijn
grootmoeder werd ook de premie voor de ANDB opgehaald, de
vakbond voor diamantslijpers. Allemaal weekpremie’s. En
(hier spreken kwade tongen) men hield zich wel eens een keer
‘niet thuis’ als het slecht uitkwam.
Er was ook de groenteboer (het waren allemaal boeren valt
mij nu op), die had bij ons paard en wagen. Enorme Belgische
trekpaarden met een achterwerk als een wereldbol stonden er
voor de vuilniswagen.
Dat brengt me toch weer op een staaltje van “humor in
slechte tijden”. Heel lang liepen nog paarden van deze
afmeting voor de wagens van de brouwerijen. Toen voedsel
schaars werd stond eens een iel mager mannetje met
ingevallen koppie in extase naar die gigantische brokken
vlees te kijken. De voerman kwam, sloeg het knol met platte
hand op de bil en vroeg: ”zou je hier niet een stukje uit
lusten?”. Het mannetje knikte waarop de oprechte
Amsterdammer zei:” dan moet je wachten tot hij gaar
schijten......”
Verder maar weer. Bij ons kwam ook de kippenboer, een man
van buiten, die niet alleen kippen verkocht maar ook hele
verse eitjes meenam.
Die bij ons werkte op bestelling. Mijn moeder gaf op:
volgende week een soepkip. Dat was een kip op jaren die
eigenlijk als eierfabrikant z’n geld al had opgebracht.
Maar gekookt in de soep was er nog wel enige souplesse in te
brengen. Nu mag ik het wel vertellen, denk ik, maar die kip
werd bij ons niet alleen voor de soep gebruikt: de volgende
dag aten we het inmiddels zacht gekookte kippenvlees bij het
eten.
Vrouwen moesten vindingrijk zijn. Dat gebeurde met soepvlees
ook: dag één een lekker soepje trekken, dag twee werden er
echt overheerlijke kroketjes gemaakt met het inmiddels
zachte vlees. Voor al deze bereidingen stond in de keuken
een één pits, tweepits of zelfs driepits oliestel te
branden. Maar met enig onderscheidingsvermogen kon je toch
ruiken wat er gegeten werd. Op zo’n pit stond soms wel
urenlang de kip te “trekken” en dat heette in het jiddisch
een sjaletpot. Mijn evangelisch Lutherse moeder die vroeger
kennelijk van de vele jolige broers van mijn joodse vader
vader taalles had gehad noemde mijn vader als hij ‘s morgens
niet opschoot met toilet maken in de badkamer (er waren 4
wachtenden nà hem) dan een sjaletpot.
Ook de schillenboer kwam een paar keer in de week. De
aardappelschillen, oud brood en ander overgebleven eten nam
hij mee. Meestal een keuterboertje die voor zijn varkentjes
of wat voor vee dan ook gratis voedsel had. Soms werd met
het legen van het schillenbakje in de jutezak van die man
het aardappelschilmesje mee gegooid, maar je kon de
schillenboer altijd om een mesje vroegen.
We hadden een vieze schillenman met een stinkende kar. Als
je de boel niet schoonmaakt en altijd etensresten vervoert
tja en dat in een tijd zonder geurvreters...... Hij liep
mank, stonk zelf ook maar floot altijs vrolijk tussen de
resterende tanden. “Sjieleman” was zijn herkenningsmelodie
als de deur openging. Hij sloeg zijn paardje en had een
zweep waar alleen de stok nog van over was. Dat hebben wij
toen geregeld.: de zweep gepikt toen hij ergens in een
trapportaal stond, gebroken en weggegooid.
We hadden ook goede trekjes.
Tot zover de ambulante handel. Even naar de werkelijkheid
van dat moment.
Op de hoek van de Jasonstraat/Stadionweg bij het eindpunt
van lijn 24 was een bloemenstalletje van Abraham van Emden.
Zelf woonde hij Jasonstraat nr. 10 huis.
Ze hadden vier kinderen waarvan ik me de tweeling Loekie en
Jenny als generatiegenootjes (zij waren van 1928) het beste
herinner. Oppassende zuinige mensen en vader had het net in
die tijd voor elkaar: hij verruilde zijn stalletje in de
buitenlucht voor een winkel: Jasonstraat hoek Amazonenstraat
tegenover bakker Broersma. Dit heeft niet lang mogen
duren....... In juli 1943 beëindigden de hunnen hun leven in
Sobibor.
Deze digitale
gedenksteen plaats ik ter nagedachtenis aan het gezin
Abraham van Emden, gewoond hebbende Jasonstraat 10 huis te
Amsterdam
|
 |
Abraham van Emden »
Amsterdam, 20 januari
1888
Sobibor, 2 juli 1943
Gezinshoofd |
Heintje van Emden-Vuijsje »
Amsterdam, 29
september 1889
Sobibor, 2 juli 1943
Echtgenote |
Louis van Emden »
Amsterdam, 26 juni
1928 Sobibor, 2 juli 1943
Zoon |
Nico van Emden »
Amsterdam, 19 mei 1925
Sobibor, 16 juli 1943
Zoon |
Jenny van Emden »
Amsterdam, 26 juni
1928
Sobibor, 2 juli 1943
Dochter |
Joost van Emden »
Amsterdam, 10 mei 1914
Auschwitz, 26 april 1944
Zoon |
|
Ben Okker -
1 februari 2010
digiben
(ad) planet.nl
WANDBORDJE
Het was,
herinner ik mij, een geschenkje van iemand die het goed met
ons meende. Zo tegen het midden van 1942 toen de gevolgen
van de bezetting meer en meer merkbaar werden, vooral in de
grote steden in het westen van het land. Toen, bovendien,
mijn vader een ster moest dragen niet meer mocht werken maar
wel voor het uit 5 personen bestaande gezin moest zien te
zorgen.
Het was een
houten plankje waarin de tekst gebrand stond: “ook dit gaat
voorbij”.
Mijn moeder hing het op, mijn vader had niets met
gereedschap. Dat was overigens dus ook nooit in huis maar
mijn moeder gebruikte theelepeltjes als schroevendraaiers
(voor de stekker van de stofzuiger bijvoorbeeld) en schoenen
als hamer. Met een platte hak en een spijker hing ze toch
vrij zware schilderijen op.
Het houten plankje aan de muur hangen kostte haar totaal
geen moeite. Als je binnenkwam viel direct het oog er op:
“ook dit gaat voorbij”.
We hadden toen nog drie lange jaren te gaan. Alles had toen
een naam. Het huwelijk van mijn ouders was bijvoorbeeld een
“Mischehe”. Wisten die moffen veel wat mies was! Wij
wel! Wat we ook wisten is dat dit voorbij zou gaan, daaraan
herinnerde ons het bordje.
Wij thuis verdeelden ons over de voedsel-rijen: de visrij op
het Stadionplein, in de rij bij de groenteman Tabak in de
Amazonenstraat en later zelfs bij dat karretje van de man
die klop-op en water verwerkte tot een soort slagcrème. Voor
de nodige druk om te kunnen spuiten was een fietspomp aan
het apparaat verbonden. Het wagentje werd overigens “de
gouden koets” genoemd wegens zijn enorme omzet.
Ik dook onder in een jachthaven in Aalsmeer en daarna kwamen
de hongertochten naar de kop van Noord-Holland. Wat we thuis
hadden verdween successievelijk, om geruild te worden voor
b.v. tarwe, waar we de koffiemolen total loss op draaiden.
Van de gemalen tarwe maakten we pap - met water - en “platters”.
Dat waren ballen meel met water die we platdrukten en bakten
op de plaat van het noodkacheltje.
De woning werd steeds leger, alles van waarde werd geruild
maar het bordje bleef hangen. Ook dit gaat voorbij, daaraan
mocht niet getornd worden.
We moesten er op uit op hout te stelen voor verwarming en
brandstof in het noodkacheltje. Bomen stonden er al niet
meer in de Stadionbuurt in Amsterdam maar onder de rails van
het treintje naar Aalsmeer lagen nog wel bielzen! Het kostte
mij uren om er een los te krijgen, toen kwam een “stille”
met zijn hond en liet me de biels op zijn fiets leggen.
Daarna mocht ik vrij gaan: hij had thuis weer hout!
Alles wat branden kon in huis was al verstookt. Niets was
makkelijker geweest dan “ook dit gaat voorbij” even van de
verder akelig kale muur te halen en voor het kacheltje te
gebruiken! Geen denken aan! Dat bordje beloofde ons immers
betere tijden.
Op Dolle Dinsdag vluchtte mijn vader uit een werkkamp in
Grote Keten, kreeg een vals pb (dat was de naam voor het
persoonsbewijs) en dook onder.
De ergste winter moest nog komen. De hongerwinter van 1944.
We kwamen er door: mijn vader, mijn moeder, de drie zoons en
het bordje thuis in de bijna lege woning.
In mei 1945 kwam de bevrijding. Groot feest!
Wie het deed weet ik niet meer, maar een van mijn ouders
zei: “zo, nu kan dat bordje weg!” We hadden toen onze
vrijheid terug en meer kon je niet wensen. Zoiets mocht
nooit voorbij!
Op 5 mei is dat 65 jaar geleden. Voorbij maar - zoals U ziet
- toch niet vergeten.
Ben Okker -
1 februari 2010
digiben
(ad) planet.nl
HET
MASKER AF
Binnen het
jaar toonden de moffen hun ware gezicht. In februari 1941
vond er een razzia plaats waarbij een paar honderd joodse
jongens werden opgepakt en via kamp Schoorl uiteindelijk
naar Mauthausen werden getransporteerd.
Hierbij was mijn
neef George Okker. Nog voor het einde van het jaar leefde er
niet een meer. George was 19 jaren jong !
Navolgend mijn toevoeging aan zijn vermelding op het
Joods Monument
www.joodsmonument.nl/person/304205
George Okker
ging naar de Ulo, waar hij Frans en Engels leerde. George
werd kantoorbediende en was lid van een banjoclub. Hij werd
in februari 1941 gearresteerd. Hij behoorde tot de groep
joodse mannen die als represaillemaatregel voor
ongeregeldheden in Amsterdam werd opgepakt. Op het moment
van zijn arrestatie stond George Okker op het punt om te
gaan vissen. Hij had geen idee waarom hij mee moest. Men
vroeg zich af of hij opgepakt werd omdat Nederlands-Indi�,
waar hij geboren was, ook in oorlog was. George Okker werd
naar kamp Schoorl gebracht en vervolgens naar Buchenwald en
Mauthausen.
Van George werden twee brieven ontvangen. E�n van 1 augustus
1941 waarin hij onder meer schreef: 'ich denke oft an Haus
und an Homoet'. Homoet was de bakker, in de Tweede
Jansteenstraat 64-66.
De tweede brief was van 31 augustus 1941. Het kleine
briefformulier was toen niet half volgeschreven. Daarna
kreeg de familie te horen via de huisarts, door een van de
buren ingeschakeld, dat George overleden was.
Zelf heb ik via enig inzicht gekregen in zijn dossier (dat
sehr pünktlich werd bijgehouden). Hierin stond dat:
Hftl. 1266, Hftl.Art.: Jude 12.09.1941
Stunde 14.00,
overleden was
Ursache: septic Angina.
Om enig inzicht
te krijgen in het veroorzaakte leed nodig ik u uit om ook
eens kennis te nemen van het wee van de verdere drie leden
van deze familie:
Klik hiervoor op de namen van deze digitale gedenksteen.
|
 |
Arnold Okker »
Amsterdam, 25 mei 1883
Amsterdam, 22 januari 1943
Gezinshoofd
|
Annette Okker-Okker »
Amsterdam, 23 augustus
1892
Sobibor, 23 juli 1943
Echtgenote
|
George Okker »
Samarinda, 14 november
1921
Mauthausen, 12 september 1941
Zoon |
Josephine Okker »
Balikpapan, 24
februari 1919
Auschwitz, 3 september 1943
Dochter |
Simon Okker »
Amsterdam, 31 mei
1890
Sobibor, 20 maart 1943
Gezinshoofd |
Geertruida Okker-de Leeuw »
Rotterdam, 20
februari 1893
Sobibor, 20 maart 1943
Echtgenote |
Maurits en Berendina Okker
18 maart 1944,
Auschwitz |
Leman Okker
8 okt. 1942,
Auschwitz |
Max en Schoontje Okker
7 dec 1942,
Auschwitz |
|
|
Mijn ook Simon
en tante Truus (Geertruida de Leeuw) woonden in de
Rijnstraat 56. Het echtpaar was kinderloos. Oom Simon was
makelaar roerende goederen en veilde vaak kostbare
inboedels. Tante en oom hadden een kostbare inboedel (voor
die tijd) mooie meubelen en perzen op de vloer. Bovendien
hadden ze heel aparte snuisterijen, dingen die je normaliter
weinig zag.
Wat mij als kind vooral is bijgebleven was zijn
toilet-rol-houder. Dat was een speeldoos en als je er een
velletje aftrok pingelde er een vrolijk muziekje. Onnodig te
vertellen dat na mijn bezoek aan oom en tante en meer nog
aan hun toilet er geen papiertje meer op de rol zat. Tante
Truus en oom Simon werden omgebracht in Sobibor op 20 maart
1943.
Recent vond ik op Google een vermelding van oom Simon: Ik
neem aan zijn laatste optreden als makelaar.

Ben Okker -
2 februari 2010
digiben
(ad) planet.nl
SCHAARS
Omdat de
bezetting al vele malen historisch en chronologisch
verantwoord is beschreven zal ik mij beperken tot wat
herinneringen uit onzer Stadionbuurt die mij nu terugdenkend
nog te binnen schieten.
De Winterhulp (Winterhilfe).
Zo’n Duits verzinsel waar bij geld ingezameld werd voor door
de bezetter geselecteerde doelen “die het nodig hadden”. Dat
ging (heel slim) door een serie relatief dure postzegels
(verzamelaars van “Nederland en Koloniën” moesten die wel
kopen om compleet te blijven) en ook opdringerige collectes.
Al gauw deed de slogan de ronde: “geen knoop van mijn gulp,
voor de winterhulp”.
Mazzel dat er nog geen ritsen waren op die plaats.
In het naamgeven was men erg knap. De zaklantaarn zonder
batterij van Philips werd aangedreven door een pompende
handbeweging, dan werd er stroom opgewekt zoals bij een
fietsdynamo. Je kneep er als het ware in dus: knijpkat. Je
kneep de kat in het donker.
Sigaretten, roken, daar kon je kennelijk niet buiten, vooral
toen. Er werd eten voor sigaretten geruild. Rookte er iemand
een goeie sigaret en gooide hij een peuk weg van meer dan
één cm: meepakken, openmaken en van drie van die peuken was
wel 1 sigaret te draaien. Dat gebeurde ook wel door peuken
van straat te rapen. Dat heette dus; bukshag.
Schoenen, leer, niet meer te krijgen op het laatst. In het
begin was er nog de “schoenenbon” waarop je tegen betaling
uiteraard een paar schoenen kon kopen. Om het schoeisel te
sparen werd er zoolbeslag gebruikt: dat konden platte
stukken netaal zijn die bij de rand van de hak en de neus
van de zool (de kwetsbare punten) er op geslagen werden.
Maar er waren ook een soort spijkers met een dikke ronde kop
die in de zool en hak geslagen werden, zodat je in wezen op
die metalen koppen liep. De naam: moffenkoppen.
Alle schaarse artikelen (dus bijna alles) werden vervangen
door surrogaten, Thee zetten ? Daarvoor hadden we een
tabletje, dat - hoe geniaal - Santé heette. Wij wisten:
santé n’est pas sans t, mais maladie est sans t .
Surrogaat sigaretten heetten ‘Blazertjes’. Daarvan werd
verteld dat ze best gezond waren “als je maar blijft
blazen’.
Maar de laatste winter, die van ‘44, toen was de chaos
compleet. Er stierven mensen langs de weg (op hongertocht)
meer dan er begraven konden worden en er lagen overledenen
o.m. in de Nieuwe Kerk. Houten kisten waren er niet en àls
je er al één kon krijgen dan bestond die uit een ruw houten
bodem en deksel met kartonnen zijkanten. Er werd verteld dat
bij een begrafenis in zo’n “kist” op de trap de bodem er uit
was gevallen. Als je dan verschrikt reageerde met: “ en die
dode dus ook?” dan luidde het antwoord: “nee, die kon zich
gelukkig nog net aan de kanten vasthouden....”.
De riolen werkten niet goed meer en vanuit ons raam keken we
de Amazonenstraat in waar vanuit de putten de viezigheid
over de straat blubberde. Buurmeisje Els v/d S
sprak over; “wij wonen in de rue de la Poep”. Wijzelf zeiden
het het anders, in het Amsterdams.
Nog een verhaaltje uit die tijd: een man had de moed
opgegeven en wilde een einde aan zijn leven maken. Hij ging
voor het gas liggen. Ging mooi niet door, er was geen
gasdruk.
Ophangen moest uitkomst brengen. Maar het koord brak af, er
was alleen papiertouw. Hij ging op de rails liggen: er reden
geen treinen meer. Hij zag het als een vingerwijzing: ik
moet door. Hij leefde verder van de rantsoenen en gaarkeuken
en was binnen enkele dagen .... dood.
Ook uit de kraan kwam niet altijd water, geen druk en als er
dan wat uitkwam was het vaak roestkleurig.
Ook daar was wat op gevonden. Chloor in poedervorm dat
werkte zuiverend. En omdat dat natuurlijk niet te drinken
was moest de chloorsmaak er af met Noritpoeder.
Buurtboef rode Appie vond na de bevrijding een gigantisch
pak Noritpoeder nog thuis en heeft dat van het dak naar
beneden gegooid. Gevolg: één grote zwarte explosie.
Ach over die periode zou ik lang kunnen doorgaan: ik maakte
6 “hongertochten” naar de kop van Noord-Holland, ben met
mijn broer gearresteerd voor houtdiefstal met een vals
persoonsbewijs op zak. Dat heeft mijn broer (die wegens
jeugdige leeftijd vrijgelaten werd) er uit gesmokkeld, mijn
tijdelijk onderduiken in Aalsmeer (Jachthaven De Nieuwe
Meer) maar dat heeft meer met ons ter maken dan met de
Stadionbuurt. Even time-out dus maar en dan verder over de
tijd er na.
Ben Okker -
3 februari 2010
digiben
(ad) planet.nl
SLUITSTUK
Voor ons
boven de grote rivieren kwam de bevrijding laat, voor
sommigen te laat. Voor de gelukkigen was het een
onvergetelijke periode. Er werd voedsel verstrekt, meat &
vegatables, pork etc., ook lifebuoy-zeep. De blikken
Canadese biskwies, waarvan we er teveel van aten en als je
dan dronk zwollen ze op in je lijf en kreeg je kramp. We
maakten kennis met eierpoeder en krabbelden heel langzaam
terug.
Zelf meldde ik
mij voor de luchtmacht, Japan was immers nog in oorlog en in
de kampen in Indië zaten nog veel landgenoten. De luchtmacht
werd verbindingstroepen en na mijn opleiding vertrok ik via
6 weken quarantaine in de Waalsdorpervlakte met de Johan van
Oldenbarnevelt naar Engeland en vandaar later met de
Kota Inten naar Indië. Tijdens mijn twee jarig verblijf in
de tropen trof ik ook oude bekenden uit de Stadionbuurt.
Bij de moeder van Rooie Appie zat een onderduiker Dick
genaamd. Hij bleek (reserve) officier te zijn Hoog op de
Poentjakpas (de gevaarlijke weg toen van Batavia naar
Bandoeng) zat ter beveiliging van konvooien een militair
onderdeel. Tijdens een rustpauze gedurende een rit over die
route zag ik daar een bekende: Dick, nu majoor Dick.
Ik heb me keurig gemeld: korporaal Okker uit de Jasonstraat.
Ik trof nog een buurtgenoot daar: Kees Henni. In Batavia
liep ik eens Japie Schram tegen het lijf die (meen ik) op de
Olympiakade woonde en in de buurt met de bevrijdingsfeesten
aan zijn bas stond te “plukken”.
Als Sjakie Schram werd hij met Glaasje op . . . .
wereldberoemd in ons land. In Indië zat hij bij de LSK, de
luchtstrijdkrachten. Hij wel.
Nog een wil er er noemen: Wim Nannes van de Olympiaweg. Vlak
voor de eerste politionele actie waren veel troepen in
Bandoeng geconcentreerd. Ik zat op een open jeep in de spits
met mijn zender/ontvanger (19-Set) en een vrij hoge antenne
voor het onderhouden van de verbinding. Tamelijk kwetsbaar
dus. We passeerden weapon-carriers, een soort onderste helft
van een tank, van boven open. Daar zagen Wim Nannes en ik
elkaar, waarbij hij me bemoedigend toeriep: ”ik zit
tenminste tot mijn schouders het staal”
Wim trof ik pas weer in de loop van 1949, ja, op de
Olympiaweg.
Hij haalde een beduimeld lucifersdoosje uit zijn zak en liet
me de inhoud zien: wat rommelige stukjes lood. “Allemaal uit
mijn schouder gehaald na een paar operaties “. Tja, soms is
tot je schouders in het staal nog niet voldoende.
De Jasonstraat kwam één keer voor mij in actie. Toen ik
thuis kwam uit de tropen hingen er minstens een half dozijn
vlaggen. Het was eind 1948, het normale leven zou eindelijk
beginnen.
Maar ze hadden ons vanaf 1940 aardig beziggehouden.
Ben Okker -
3 februari 2010
digiben
(ad) planet.nl
LOPEND
TERUG NIEUW
Eens kijken
of het nog lukt. Visueel onze buurt doorlopen in de periode
vanaf 1938 en volgende jaren. Toen, in ‘38 was ik 12 jaar,
oud genoeg om het redelijk betrouwbaar na te vertellen en nu
dus oud genoeg om dat niet te lang uit te stellen.
Ik vertelde het eerder: we woonden in de Jasonstraat op nr.
16 1 hoog. Tegenover de Amazonenstraat met op de hoek bakker
Broersma. Daar haalden we ons brood, maar daar brachten we
ook het bakblik met daarin de boterkoek gemberkoek in
wording. Voor 10 cent ging die de oven in en werd keurig
afgebakken. Zelf hadden we geen oven.
Ik herinner me een 3 pits gasstel, eigenlijk 2 1/2, want het
middelste pitje was kleiner. Ja verder natuurlijk ook een
2-pits oliestel. Als daarop soep stond te trekken rook je
die niet, wèl de olielucht.
Aan de keukenmuur zat verder qua outfit een
koffiemolen-met-slinger die we gedurende de laatste
oorlogsjaren naar de eeuwige jachtvelden draaiden door er
tarwe en rogge in te malen en daar was de molen (van Ka-pé?)
te fijn besnaard voor.
Maar laten we die olie lucht maar even ontvluchten, we
zouden toch eerst de buurt in gaan.
Buiten zien we voorin rechts in de Amazonenstraat net een
kar afladen. Dat is bij Tabak, de groentenman. Daar heb ik
in de oorlog al vroeg in de rij gestaan voor mijn moeder,
die dan zelf ergens anders in de rij stond. Het was een
grote loterij. Je wist nooit waarmee Tabak zou terugkomen
van de markt, maar niet geschoten is altijd mis.
O, van die rij moet ik nog een herinnering kwijt. In die
tijd wisten we precies wie er “fout” waren in de buurt en
geloof het of niet: ik kan ze nog zo opnoemen en het huis
aanwijzen.
Goed, fout was ene mijnheer A de C., die ook in de
Jasonstraat woonde. Een huiseigenaar. Hij stond ook in de
groentenrij en natuurlijk zullen wij jongetjes van toen
misschien 15/16 jaar hem wat geïrriteerd hebben. Maar
plotseling, zo uit het niets, kreeg ik een klinkende klap in
mijn gezicht. Normaliter zouden mensen gereageerd hebben
maar ja, hij was fout en dus gevaarlijk en mijn vader was
sterdrager dus extra kwetsbaar.
Stilte dus alom. Misschien een jaar later, wat dichter bij
de hongerwinter. Een rij bij Tabak zoals gebruikelijk, ook A
de C die, hij was al ouder, op wat kistjes zat. Tot Tabak
naar buiten stoof en zei: ”nu heb ik je”. De foute slagman
bleek wat aardappelen in zijn zak te hebben gestopt die hij
uit de kist waarop hij z.g. uitrustte wist te halen. “Ik
verdacht hem al een tijdje” zei Tabak, die ondanks
smeekbeden weigerde aangifte te doen. Wel verstandig denk
ik.
Na de oorlog emigreerden zowel bakker Broersma en de familie
Tabak.
Maar laten we even naar de hoek lopen van de Stadionweg. Aan
de rechterkant van de Jasonstraat zat daar slager van de
Werf. Die ouwe toen nog. Later na de oorlog nam zijn zoon
Frans het over. Op de linkerhoek zat A.P van der Heyden. Een
kleermaker die ook in confectie deed. Niet slecht trouwens.
De zaak groeide later, zoon Hans kwam er in, er kwam een
prachtige zaak in winkelcentrum Amstelveen waarin inmiddels
de kleinzoon van de kleermaker zit.
Daar voor was het beginpunt van lijn 24. Op het strookje
waar Stadionweg en Olympiaweg elkaar raakten pasten nog twee
winkels en een etalage van een derde met de ingang op de
Stadionweg.
De eerste winkel was Danko, een soort drogist waar je ook
petroleum kon kopen per liter. Voor het oliestel en ook voor
de oliekachel. Als ik twee liter moest halen in de oliekan
pompte men eerst een tweeliter glas vol en liet dat dan
leeglopen via een trechter in mijn oliekan. Verder moest ik
er wel groene zeep (net de gel van nu, maar dan om te
ontvetten i.p.v. invetten) vlokkenzeep halen maar je
kon er ook voor 1 cent salmiakdrop halen. Dat deden ze in
een vierkant papiertje. Naast Danko was een Portugeesjoods
mannetje (da Silva Solis is mij bijgebleven) die fruit
verkocht maar ook haring, bosjes sprot en uitgesneden
bokking. Het Fruithuis heette de zaak geloof ik.
De etalage daarnaast was van Willems, die om de hoek een
rijwielstalling had maar ook fietsen verkocht. Op de
Stadionweg had Willems (een oud wielrenner) een soort
oppompautomaat aan de gevel. 1 cent in de gleuf, dan gauw de
slang op je ventiel houden en bingo: harde band. Het geheel
was niet zonder risico. Ik denk dat er genoeg lucht uit kwam
om een lege band geheel op te pompen. Ging het alleen om
bijpompen dan was het oppassen geblazen. Bij een van de
jongens ging de band met een harde knal naar de galemiezen.
Om het oude jargon maar eens te gebruiken.
Tja, van hieruit kun het Stadion goed zien en de bijvelden.
Voerbal betekende voor ons Blauwwit. “Heertje” Ferwerda, de
keeper die, zoals later Frans de Munck als een
manne-mannequin in het doel stond: Cootje Bergman.
Oost had z’n Ajax, west DWS en wij Blauwwit. Plus natuurlijk
wielrennen, er waren ook avondwedstrijden, we zagen Arie van
Vliet, Jan Derksen, maar ook b.v. van de Vijver. Na afloop
zochten we er ook wikkels van chocoladerepen.. Daar zat een
bon op en voor weet-ik-hoeveel van die bonnen kreeg je
geschenken. Ik herinner me dat ik vaak gezocht heb maar
herinner me niet één geschenk. Nee, dan Havé repen, daar zat
een voetbalplaatje in, maar die waren minder lekker en wel
duurder.
Zullen we even stoppen en later verder gaan? Ja, dat dacht
ik wel, maar ja, dat is de latere generatie............
Ben Okker -
3 mei 2010
digiben
(ad) planet.nl
WIE SCHRIJFT, DIE BLIJFT
NIEUW
Hebt U ook de
Nieuwsbrief van het Stadsarchief van Amsterdam?
Dat kan ik U warm aanbevelen: fotomateriaal en documentatie.
Toegang krijgen tot oude archieven van b.v. de Bijenkorf.
Recent ook tot de Index op de meldingsrapporten van de
Amsterdamse Politie in de jaren 1940-1945.
Die kans kon ik niet voorbij laten gaan. Heeft niet elke
familie zwarte schapen?
Dus was mijn logische gedachte: de naam Okker naslaan en
eens kijken wie er niet deugde.
Zo gezegd,zo gedaan. Tot mijn niet geringe verrassing vond
ik buiten de naam van mijn neef George (zie mijn bijdrage
179 “Het Masker af") die
februari 1941 door Amsterdamse rechercheurs werd opgehaald
en via de Euterpestraat uiteindelijk in Mauthausen terecht
kwam waar hij 12 september 1941 stierf, ook mijn eigen naam.
Het archief is (nog) niet openbaar dus weet ik niet zeker
waaraan ik die eervolle vermelding te danken. heb, maar ik
heb wel zo’n donkerbruin vermoeden....
Het was in de hongerwinter en ijzig koud. Mijn joodse vader
was “te werk gesteld” in het Zandt en Groote Keeten aan de
kust in Noord-Holland met vele “gemengd gehuwden”. Mijn
moeder had de zorg voor drie zoons alleen.
Zelf werd ik die winter 18 jaar de broers waren resp., 3 en
9 jaar jonger. Aanvankelijk gebruikte ik het persoonsbewijs
van mijn broer Fred, waardoor ik 15 jaar werd en bij
controle veilig was. Via via werd mijn persoonsbewijs
vervalst (1926 was absoluut onzichtbaar veranderd in 1929)
zodat mijn broer zijn eigen persoonsbewijs terug kon
krijgen.
Na een hongertocht in de kop van Noord-Holland was ik met
wat tarwe thuis gekomen maar omdat er geen hout voor het
noodkacheltje was hadden we die ochtend niets te eten. Fred
en ik besloten dat probleem op te lossen en vertrokken - het
was ‘s morgens heel vroeg - na mijn moeder beloofd te hebben
“te sprokkelen” Fred nam de bijl mee en ik de zaag, soms zit
sprokkelhout nl.. vast, dat wisten we uit ervaring.
We liepen van de Jasonstraat via het Stadionplein over de
Amstelveenseweg richting Zuidelijke Wandelweg. Er was niets
te vinden. Toen zijn we de Wandelweg opgegaan en kregen aan
onze linkerhand het oude AFC-terrein.. Over de bevroren
sloot gingen we daarop en ergens stond daar nog een huisje
waarin nog een deur zat (mijn lezing). Nu is een deur van
hout en dus goed bruikbaar.
Mijn broer , die verder het verhaal geheel onderschrijft,
meent zich te herinneren dat we niet de deur hebben gesloopt
en meegenomen, maar de leuning van het bruggetje over de
bevroren sloot. Hoe dan ook: tevreden met onze vangst en het
corpus delicti tussen ons in sloegen we dezelfde weg weer in
naar huis.
Tot we vanuit de richting Amstelveenseweg 2
politieagentenzagen aankomen.
Ik meen “rechtsomkeert mars” gezegd te hebben en
gebroederlijk draaiden we en liepen nu in iets versneld
tempo de andere kant op. Helaas, ook daar kwamen 2 agenten
vandaan. Wij smeten de deur/brugleuning richting sloot en
gingen quasi van de natuur lopen genieten. Vergeefs.
“Pak dat hout maar op”, zei smeris 1.
Op datzelfde moment realiseerde ik me dat je ook
politieagenten moeilijk kan vertellen dat je broer en jij 3
maanden van leeftijd verschillen en speelde mijn enige troef
uit: “ik ben onderduiker, maakt dat misschien verschil ?”
Dat deed het dus niet en hij vroeg naar de persoonsbewijzen.
“Ik ben de mijne verloren”, zei ik.
Een vals persoonsbewijs zou de zaak nog veel erger voor mij
maken.
We moesten het hout oppakken en meedragen en en masse gingen
we naar het politiebureau dat toen aan de Stadionweg was,
iets voorbij de Watteaustraat.
Er werden telefoontjes gepleegd en het werd duidelijk: “geef
die van 15 maar een schop onder zijn kont, die andere gaat
op transport”. Mijn broer is een natuurtalent. Kind van het
nette ouders maar toch ! Hij wist zijn gebreide muts op mijn
schoot te gooien, ik stopte mijn vervalste persoonsbewijs er
in en hij zette zijn muts weer op. Een tijdje later werd hij
inderdaad vrijgelaten en ik ging op ”transport” naar het
hoofdbureau. Lopend, tussen twee grote agenten, die de
pistooltas dicht naar de gesp van hun koppelriem hadden
geschoven. “We kunnen je handboeien aandoen” zei er een,
maar ik beloofde braaf mee te lopen. Ze namen hun taak
serieus, toen op de Willemspatkweg iemand naar ik vermoed
dood op straat viel en mensen de agenten aanriepen kreeg ik
hoop/. Mooi niet: “We hebben een arrestant”.
Mevrouw Broersma (de vrouw van de bakker tegenover ons huis
in de Jasonstraat) zag me ook en sprong van haar fiets, maar
werd met een armzwaai
weggeduwd.
Op het hoofdbureau was het: zakken leeghalen (ik had er
altijd een lepeltje in voor als je ergens wat te eten vond),
veters er uit en ik kwam als tweede man in de achterste cel
van een gang. Dat was ongunstig, bleek me , omdat de man die
een boterham en een kop heet water met een inlegvelletje
soep noemden ze dat) moest uitdelen mij oversloeg. “Dan
heeft hij die boterham zelf al opgegeten”, zei de ervaren
celgenoot.
Die wist mij verder te vertellen dat we zaten in afwachting
van transport naar Amersfoort. Hij was kennelijk routinier
wat vertelde me ook hoe je van een rijdende trein kunt
springen. “Spring bij een paal, dan kom je veilig vòòr de
volgende paal op de grond terecht. Spring je tussen de palen
dat knal je tegen de volgende paal aan” Ik ben dat nooit
vergeten hoewel ik het niet in de praktijk heb hoeven
testen.
Nu moet ik het toneel verplaatsen naar de Jasonstraat, waar
mijn broertje Freddy zonder zijn grote broer en zonder hout
maar met grote vertraging terugkwam. Mijn moeder was in alle
staten maar kon kennelijk wel rationeel denken. Om de hoek
was het “duurdere brede deel” van de van Tuyll van
Serooskerkenweg en daar woonden twee politie-inspecteurs,
die we altijd in uniform op de fiets (dat wel) door onze
straat zagen rijden. De inspecteurs Cammaert en Kuyk. Daar
is mijn moeder heen gegaan en heeft om hulp gevraagd. Een
van beiden vertelde haar dat hij helaas niets kon doen voor
me en vreesde zelf niet lang meer in functie te zijn. Wel
kon hij de naam opgeven van de enige, die dat wèl kon.
Dat was de commandant van de Schalkhaar-politie. De foute
jongens, die gelegerd waren in een gebouw op de hoek van de
Fred.Bolstraat en Pijnackerstraat. Buurman van de Stroom
(hij woonde beneden ons) kon daar wel wat mee.
De man stotterde en als hij nerveus werd was het geen
stotteren meer maar dan werd het geluiden uitstoten terwijl
hij dan rood aanliep omdat hij zijn ei niet kwijt kon.
Figuurlijk dan.
Die is stotterend en blazend doorgedrongen tot de zwarte
commandant en heeft volgens de overlevering iets in de geest
gezegd van : “ jullie hebben het gedaan bij me. Altijd
sympathie gehad voor de nieuwe orde, Gerechtigheid dacht ik.
Nou het is over. Ik weet wel beter nu. Helemaal over”
Hij brieste zo dat ze hem probeerden te kalmeren en de
commandant sprak: ” Als er sprake is van onrecht zet ik dat
persoonlijk recht. Vertel het nu eens rustig”
Buurman Stroom heeft toen iets gestotterd in de geest van:
’hij werkt in de Noord-Oostpolder, aardappelen rooien, komt
dagje thuis bij zijn moeder. gaat sprokkelen en wordt
opgepakt”. Hierop moet de Schalkhaar Commandant gezegd
hebben: “Hoe heet hij? Okker , zei je?” daarna door de
telefoon: “Okker onmiddellijk vrijlaten”.
Terug naar de cel. Ik werd er uit gehaald en dacht nog even
aan de goede raad wat het paalspringen betreft. We gingen
naar een kastje, ik kreeg mijn lepeltje en zakdoek terug en
werd de gangen uitgeleid. Toen kwamen we bij een deur, die
oom agent opendeed. “Kan ik gaan?. Hij knikte.
“Maar hoe........”
“Ik zou verder maar geen vragen stellen”
Dat heb ik niet gedaan en in één gestrekte draf rende ik
naar de Jasonstraat. Het noodkacheltje had wel even gebrand:
met mijn valse persoonsbewijs. Zelf verdween ik toen maar
voor een tijdje als onderduiker naar een jachthaven in
Aalsmeer. En nu blijk ik nog te boek te staan bij de
politie, 66 jaar later. Ik heb mijn dossier (hoewel het niet
openbaar is) opgevraagd.
Ik ben benieuwd hoe de verslaglegging van de wederpartij
luidt.
Ben Okker -
25 mei 2010
digiben
(ad) planet.nl
Ben heeft "zijn"
dagrapport opgevraagd. Het bleek alleen te gaan om een
inschrijving in het arrestantenregister. Vermoedelijk is er
nooit een proces-verbaal opgemaakt. (red.)

reacties mogen ook in
het gastenboek worden geplaatst

Terug naar de vorige pagina << |