|
Het begon op 13 juli
1924
Opgetekende herinneringen van Cornelis
Johannes Schouten.

INHOUD
Thuis in de
Vincent van Goghstraat
Naar de Amsteldijk
De jaren van de Tweede Wereldoorlog
De Februaristaking
Voor dwangarbeid naar Duitsland
Werken onder de Organization Todt
Ondergrondse fabriekshallen in de zoutmijnen bij Jagstfeld,
(Heilbron)
Terug in Nederland op 5 mei 1945
Terug in Amsterdam
Na de oorlogsjaren
18 foto's
uit het familiealbum
Thuis in de
Vincent van Goghstraat
Het gebeurde
op zondag 13 juli 1924.
Volgens de Klimaatbank KNMI was op die dag 8.9 uur
zonneschijn, geen neerslag en een gemiddelde temperatuur van
19.6 graden Celsius en weinig wind. Een prachtige dag dus.
’s Morgens had Pa Jan (Johannes, Antonius, Margarethus)
Schouten Sr. (19-7-1888) de kinderen Jan, Do en Rinus bij
zich geroepen en gezegd dat zij onder leiding van Jan Jr.
(2-3-1914) naar Oma Engels (25-4-1863) op de Overtoom bij
het Kattenlaantje moesten gaan en dat zij in de loop van de
dag weer naar huis mochten komen.
Dat was een pittige wandeling maar zij waren het gewend want
zij liepen haast iedere week met vader en moeder naar Oma
Engels op de Overtoom, omdat veelal op Zondag de familie
Engels daar bij elkaar kwam en tante Marie de familie
verwende met thee, koekjes en limonade. Want bij Oma en Opa
Engels woonden oom Henk en tante Marie, broer en zus van
mijn moeder, die beiden ongehuwd waren en nimmer tot een
huwelijk zijn gekomen. Oom Henk had wel eens serieus kennis
gehad aan een meisje, maar Oma Engels was het daar helemaal
niet mee eens en moest oom Henk tot zijn verdriet de
verkering verbreken.
Zo ging dat in die tijd, “moeders wil is wet”.
Tante Marie verzorgde het huishouden; in haar prille jeugd
was een stofzuiger nog onbekend en als in die tijd het
vloerkleed wekelijks van stof moest worden ontdaan, werden
vochtige theebladeren op het kleed gestrooid en met stoffer
en blik weer opgeveegd.
De naam van Oma Engels was: Theodora Maria van den Berg,
geboren in 1863 te Beek, gemeente Ubbergen, bij Nijmegen. In
Beek en in Persingen, het kleinste plaatsje van Nederland en
gelegen in de Ooypolder, woonde dus (en misschien nog)
familie van moeders kant; veelal in boerenbehuizingen in het
Nederlands-Duitse grensgebied, waarvan vooral neef Jaaije
bekend was als gewiekst smokkelaar, en waar, naar ik mij
herinner, voor zijn visite altijd de bessenjenever klaar
stond.
Maar dit even terzijde.
Op het eind van die bewuste Zondagmiddag mochten ze weer
terug naar huis wandelen en werden bij thuiskomst door vader
opgewacht die hen meenam naar de slaapkamer waar zij een
klein kindje zagen liggen. “Kijk”, zei vader, “dit is jullie
nieuwe broertje”. Cornelis Johannes was geboren. Dat was in
de Vincent van Goghstraat nr 50 in Amsterdam Oud-Zuid,
tussen de Ferdinand Bol en de Pienemanstraat.
Zoals toen gebruikelijk kreeg hij terstond het H.Doopsel
toegediend in de Vredeskerk aan de Pynackerstraat in
Amsterdam-Oud Zuid, in aanwezigheid van de peter en meter,
oom Jan Borghuis en zijn vrouw, tante Cor Borghuis-Schouten.
Mijn vader en moeder waren op 8 mei 1913 getrouwd en woonden
tot 1923 in de Vrolikstraat nr 487 bij de Linnaeusstraat (in
de jaren 1990 gesloopt en vervangen door nieuwbouw) en
daarna in de Vincent van Goghstraat nr 50 (toen nieuwbouw,
maar de nummering is inmiddels gewijzigd) tot maart 1930,
waarna de familie verhuisde naar een nieuwbouw woning op de
Amsteldijk nr 153.
Het gezin bestond uit vader (op 19-7-1888 geboren te
Zutphen), moeder Alida, Agnes Maria Engels (op 16-8-1888
geboren te Amsterdam), broer Jan (Johannes, Theodorus,
Christiaan, geb.13-3-1914, Amsterdam), broer Rinus (Marinus,
Jean, geb.30-11-1915, A’dam), zuster Do (Theodora, Maria,
geb. 19-8-1917, A’dam), broer Bob (Berend, Johannes, geb.
28-2-1920 te A’dam en overleden op 5-5-1926 te A’dam), en
tot slot Cor (Cornelis Johannes, geb.13-7-1924 te A’dam),
die later de naam “Kees” aan zou nemen omdat hij niet
hetzelfde wilde heten als zijn peettante, tante Cor
Borghuis-Schouten (halfzuster van mijn vader) uit Utrecht.
Wij woonden in een benedenhuis met vijf kamers maar zo
klein, dat als wij op zaterdag in het achterkamertje de
vaste pot met kapucijners, spek en gebakken aardappelen
aten, ik eerst onder de tafel door moest kruipen om bij mijn
plaats aan tafel te kunnen komen. Er was één kraan in huis,
dat was in de keuken waar iedereen zich ’s morgens kon
wassen; alleen mijn zuster had een lampetstel op het
kamertje waar zij zich kon wassen en naar ik meen had ook
mijn moeder zo’n lampetstel op de kamer.

Ik sliep met mijn broer Jan in een ijzeren bed met krullen
en we lagen op een matras gevuld met zeegras. Mijn vader en
moeder lagen luxer op een kapokmatras. Op Vrijdagavond
mochten wij in bad. Dan werden keteltjes water op het gas
gezet voor warm water. De kokusloper in de keuken werd
opgerold en de zinken teil op de houten vloer gezet en
gevuld met het warme water. Moeder deed ons om beurten in de
de teil, steeds in hetzelfde water, en ik was als jongste
altijd de laatste die in de teil gewassen werd, waarvan het
water onderhand aardig vettig was geworden en afgekoeld maar
dat werd verholpen met een nieuw keteltje warm water. Mijn
vader was inmiddels hoofdopzichter geworden bij de
Gemeente Tram van Amsterdam en dat hield in dat wij toen al
een telefoon in huis kregen. Een houten kastje met een
nikkelen draaischijf en een zwart-ebonieten hoorn; dat was
in die tijd erg luxe, zoiets had haast niemand!
De zuster van mijn moeder, tante Jo, was getrouwd met Barend
Siebelink, die uit hoofde van zijn functie ook een telefoon
had, zodat de dames dagelijks uitgebreid contact met elkaar
onderhielden.
Ik herinner mij uit die tijd nog de houten vuilnisbakken die
twee keer per week werden geleegd en die je pas buiten mocht
zetten als de man met de ratel door de straat was geweest en
bij iedereen op de huisbel had gedrukt, de bedelaars die
door de straat kwamen (mannetje op het stoeltje, de
metselaar die zijn ruggengraat gebroken had, de
straatmuzikanten in Volendammer kostuum, de man met de
gepofte kastanjes met zijn oventje met walmende kachelpijp
op een bakfiets die ’s-avonds in het donker door de straat
kwam, de kattenmeppers die ‘s-avonds en in de nacht
loslopende katten en honden van de straat haalden. En je
werd gewaarschuwd voor de “boeman” die in het donker de
kinderen meenam. Zo ging dat in die tijd, maar de schrik zat
er wel in.
Toen ik vier jaar was kocht mijn moeder in een klein
textielwinkeltje in de Pienemanstraat voor mij een rood
mouwschort voorzien van een blauwe band met witte poppetjes
erop, want ik ging naar de kleuterschool bij de zusters in
de Rustenburgerstraat. Daar moest je onder andere de akten
van geloof, hoop, liefde en berouw uit je hoofd leren en als
je die niet op kon zeggen moest je op je knieën in de hoek
van de klas gaan zitten met je armen omhoog! Als het te
rumoerig was in de klas en je hield je mond niet dicht
kwamen de twee zusters met lijmpot en plakband naar je toe
en kreeg je een lik lijm en plakband op je mond.
Maar al spoedig werd er een nieuwe kleuterschool geopend op
het Cornelis Troostplein, hoek Ferdinand Bolstraat, waar ik
naar toe ging. Bij de opening en bezichtiging van de nieuwe
school, waar je met je vader en moeder naar toe ging, werd
meteen al op de zolderverdieping het hok getoond waar de
ondeugende kindertjes werden opgeborgen. Die zusters wisten
het wel!

Familie
Schouten - 1926
Intussen had Rinus in augustus 1928 het huis verlaten en
ging naar het Juvenaat St.Stanislaus in Zevenaar (13 jaar
was hij) van de Broeders van de Congregatie van de
Onbevlekte Ontvangenis te Maastricht, om daar aan zijn
opleiding tot onderwijzer te beginnen. Hij is tot het eind
van zijn leven lid gebleven van deze Congregatie, resp. als
onderwijzer, hoofdonderwijzer, overste en lid van het
Provinciaal Bestuur.
Naar de Amsteldijk
In maart 1930 verhuisden we naar een nieuw huis op de
Amsteldijk 153. Een huis met zowaar een badcel en geiser er
in; dat was toen nog niet verplicht om in een nieuwe woning
in te bouwen. Een prachtig huis naast de tramremise.
’s-Avonds wel lawaai van de binnenkomende trams maar daar
wende je wel aan. Mijn derde kleuterschool was in de
Rijnstraat hoek Trompenburgerstraat, een heel moderne van de
zusters (Dominicanessen), die goed met kinderen wisten om te
gaan.

Amsteldijk
153
De lagere school werd de St.Martinusschool aan de
Servaasnoutstraat/Ceintuurbaan bij de Amsteldijk. Ik
herinner mij dat moeder mij de eerste dag daar naar toe
bracht. Aan de deur stond Broeder Nicolaas ons op te
wachten, die tegen mijn moeder zei: “Och, wat een mager
ventje!”, waarop moeder thuisgekomen zei: “ Die broeder zag
er zelf ook niet al te best uit!”.

St. Martinus school - 1931
Vier keer per
dag heen en weer rennen tussen huis en school (best een heel
eind) en iedere morgen om kwart over acht in de schoolmis in
de Willibrorduskerk. Na de 1e H.Communie in de St.Thomas van
Aquino, ging je van school uit om de 14 dagen biechthoren in
de kerk, ook al had je niets kwaad uitgespookt; maar dan
toch als penitentie Weesgegroetjes bidden. Later werd ik
overgeplaatst naar de broederschool in de Oude IJselstraat.
Het was fijn wonen op de Amsteldijk en wij hebben daar een
heerlijke tijd gehad. Beneden was een werkplaats van het
trambedrijf en daar was ik veel te vinden. Vader knutselde
daar veel en ik mocht hem helpen; zo leerde je
gereedschappen en metalen te gebruiken. Ook was daar de
stalling voor de grote Magirus-montagewagen met houten
bovenbouw, massieve banden, koperen gashandel op het houten
stuur en voorzien van een koperen luchthoorn, waarop de
chauffeur, hr. Puper, mij leerde rijden en ik mocht na het
werk de wagen altijd achteruit de garage in manoeuvreren.
Tot op een middag ik naar school moest en hr Puper zei dat
ik maar moest rijden. Daar reed ik als 11-jarige met dat
bakbeest de Amsteldijk op, via Amstellaan (nu Vrijheidslaan),
de Rijnstraat in tot de Oude IJsselstraat waar ik er uit
moest om naar school te gaan. Loopt daar toevallig de baas (d.w.z.
mijn vader) die dat allemaal zag gebeuren en toen waren de
rapen gaar. De chauffeur kreeg als verantwoordelijke een
enorme uitbrander en ik kreeg het thuis nog eens te horen.
Rijden op de openbare weg was afgelopen.

Amsteldijk 153 - 1932
Het was in de
jaren dertig, dat onze Do op de MULO-school door een
medeleerlinge werd besmet met TBC en als 15-jarige werd
opgenomen in een sanatorium in Dieren en later als
18/19-jarige voor een tweede keer in een sanatorium in
Gennep. In 1945 moest zij nogmaals worden opgenomen in het
sanatorium in Davos wegens longaandoening.
Als wij haar wilden bezoeken in Gennep, huurde vader een
auto en reden wij daarmee naar het sanatorium. De eerste
keer was na de Kerst en op de terugweg tussen Nijmegen en
Arnhem vertikte de auto het. Inmiddels was het donker
geworden en moest moeder achter het stuur zitten, hoewel zij
zoiets nog nooit gedaan had. Vader, Jan en Rinus duwden de
auto onderwijl naar moeder roepend: rechts!-links!-rechts!-enz.,
tot een garage gevonden was om de auto te stallen, (de
wegenwacht bestond nog niet) om dan met de trein naar huis
te gaan. Voor een tweede bezoek naar
Gennep had hij een Citroën gehuurd (een z.g. “hoge hoed”),
waarvan het rempedaal steeds dieper moest worden ingetrapt.
Op de terugweg naar huis wilde vader bij Scherpenzeel een
bus inhalen terwijl er een tegenligger aankwam; hij trapte
de voetrem helemaal in maar die werkte niet meer naar
behoren zodat een botsing onvermijdelijk was. Vooras krom,
wielen stonden raar scheef, maar geen letsel. Dus verder met
bus en trein naar huis.

De zomervakanties werden veelal in Egmond en Bergen
doorgebracht, wat veelal een heel familiegebeuren was; heel
gezellig. Ik had in die tijd veel last van bronchitis en dat
was o.a. ook een aanleiding om op doktersadvies jaarlijks
een hele maand de zeelucht op te gaan snuiven. In die jaren
leerde Jan zijn Lenie kennen met wie hij in oktober 1939
trouwde. Jan leerde het vak glasblazen en deed zijn examens
daarvoor in Leiden. Hij werd een uitstekend vakman en
glastechnicus. Ook Do leerde Gé kennen met wie zij in
oktober1940 trouwde. Het werd stil in huis. Ik had thuis op
de Amsteldijk negen jaar lang de achterste slaapkamer met
Jan gedeeld en kende dus al zijn verhalen en veel van zijn
doen en laten. Hij was 10 jaar ouder dan ik en door dat
verschil in leeftijd keek ik onwillekeurig toch met respect
tegen hem op.
De
jaren van de Tweede Wereldoorlog
In september
1939 brak de oorlog uit tussen Duitsland en Engeland.
Daarvoor had Duitsland in maart 1938 Oostenrijk al ingelijfd
(der Anschlusz) en de Bondspresident Schussnigg gevangen
genomen. Die inlijving geschiedde zonder bloedvergieten; de
grenzen stonden open en het grootste deel van de bevolking
juichte de Duitse troepen toe. Ook Tsjecho-Slowakije en
Polen ondergingen hetzelfde lot. De opmars van Hitler en
trawanten in Europa en later ook in Noord-Afrika was
begonnen.
Mijn broer Jan werd september 1939 wegens de mobilisatie
opgeroepen voor de militaire dienst. Hij was
sergeantwachtmeester bij de Artillerie en gelegerd in Tull
en ’t Waal bij Schalkwijk a.d. Lek en tijdens de nachtelijke
inval van de Duitsers op 10 mei 1940 in Dubbeldam
(Dordrecht). Toen zij ’s-nachts hun stellingen moesten
innemen was hun geschut al in handen van Duitse
parachutisten en voor zij het konden bereiken keken zij in
de lopen van hun eigen kanonnen.
Op vrijdag 10 Mei 1940, ’s-morgens om 3.55 uur Nederlandse
tijd, vlak voor zonsopgang, brak het door Hitler
vastgestelde uur X van operatie Fall Gelb aan: het Duitse
leger viel Nederland binnen, en op 15 mei 1940 moest
Nederland capituleren na een hevige strijd op de Grebbeberg
en de bombardementen van Arnhem en Rotterdam. Nederland was
bezet met België en Denemarken. De bezetting zou tot 10 mei
1945 duren. Jan werd kort daarna gedemobiliseerd en kreeg
een woning in de Kromme Mijdrechtstraat in Amsterdam. Zij
kochten hun meubelen in de zaak van Jan des Bouvrie Sr. op
de Ceintuurbaan bij de Hobbemakade, de vader van de later
als woninginrichter en ontwerper zo bekende zoon Jan des
Bouvrie.
Ook Do en Gé kregen een huisje aan de Pinkstraat in Koog a/d
Zaan. Gé was werkzaam bij de firma Polak & Schwarz, een
essence-, reukstoffen- en parfumfabriek in Zaandam en
eigendom van twee joodse families. De parfum werd daar
gemaakt van o.a. ladingen rozenblaadjes die tot extract
werden verwerkt; dat werd uitgevoerd naar Parijs waar het in
flesjes werd verpakt om daarna als franse parfum o.a. in
Nederland te worden ingevoerd. Eerst werkte Gé daar op
kantoor en later als vertegenwoordiger in het rayon
Zuid-Holland. Na de tweede wereldoorlog werd de fabriek
overgenomen door het Amerikaanse I.F.F. en verplaatst naar
Hilversum. Vader was zeer bezorgd voor zijn dochter en gaf
Gé te verstaan, dat hij wel met Do mocht trouwen maar dat
hij eerst moest zorgen een bepaald salaris te verdienen en
gaf aan hoeveel dat minimaal moest zijn!
Een nare tijd brak aan met volledige verduistering na
zonsondergang en af en toe avondklok zodat je vanaf een
bepaald uur niet meer op straat mocht zijn. Van lieverlee
waren levensmiddelen, brandstoffen, kleding, enz. alleen op
distributiebonnen verkrijgbaar en op den duur steeds
schaarser en nam geleidelijk aan ook de jodenvervolging een
aanvang.
Mijn vader kon het allemaal slecht verwerken en dat
beïnvloedde zo zijn gezondheid, dat hij in 1943 op
non-actief moest worden gesteld. Systematisch werden per
wijk de woningen door de Duitsers doorzocht naar verborgen
joodse mensen en onderduikers.
Zo werd op een zondagmiddag ook ons huis aan de Amsteldijk
door Duitse militairen doorzocht (zoals dat ook toen bij Bep
thuis gebeurde op de Rivierenlaan). Vroeg in de morgen was
Oud-Zuid tot de Amstelkade en Berlagebrug afgezet en niemand
kon er meer in of uit. Wij gingen zoals gebruikelijk op
Zondagmorgen naar de Mis in de St.Thomas van Aquinokerk. Na
afloop liepen we terug naar huis via de Kromme
Mijdrechtstraat en achter ons kwam een echtpaar met twee
kinderen lopen. Het was een joodse arts die via de
Berlagebrug de wijk wilde verlaten. Hij zei dat hij arts was
en dat de Duitsers hem als zodanig wel door zouden laten
gaan. Vader zei dat hij dat niet moest doen omdat dat veel
te gevaarlijk was. Zij luisterden niet en liepen in hun
wanhoop toch naar de Berlagebrug. Daar werden zij
vastgenomen en naar het Daniël Willinkplein gebracht om
terstond met gereedstaande trams te worden afgevoerd.

Afschuwelijk!
De joden werden uit hun huizen gehaald en met minimale
bagage verzameld op dat plein (nu Victorieplein) voor de
“wolkenkrabber” om vandaar met trams te worden gebracht naar
het Centraal Station voor verder transport naar de
concentratiekampen in Duitsland en Polen. Menigmaal werden
wij gewaarschuwd voor razzia’s op jongemannen zodat ik
verschillende keren de nacht in een werkkuil in de remise
Lekstraat heb doorgebracht.
Vaak hoorden wij zowel overdag als ’s-nachts veel
bommenwerpers overvliegen richting Duitsland, waarbij
zoeklichten de hemel afzochten naar vijandige vliegtuigen en
het afweergeschut volop in actie kwam en de granaatscherven
kletterend op straat en op de daken vielen. Ook vielen er
bommen in en om Amsterdam en zijn er verschillende in Zuid
(Lekstraat, Vechtstraat, Retiefstraat) en in andere
stadsdelen terechtgekomen. De Duitse bezetting werd
grimmiger en elke weerstand werd terstond rigoureus de kop
ingedrukt.
Mensen die verzet boden werden ter plekke geliquideerd en
als vergelding voor gepleegde aanslagen werden argeloze
voorbijgangers zo maar op straat opgepakt en bij elkaar
gezet en direct zonder enige vorm van proces gefusilleerd.
(Monument Apollolaan bij Beethovenstraat en in het
Weteringplantsoen). De joodse wijken werden afgezet en de
hefbruggen opgehaald van Weesperstraat en grachten in de
gehele jodenbuurt, “Judenviertel”, zodat niemand er meer in
of uit kon.

Ik werkte
inmiddels op het Natuurkundig laboratorium van Prof. Clay op
de Muidergracht / Plantage Kerklaan, en zag hoe daar op de
hoeken van de straten de Duitse mitrailleurs werden
opgesteld en leden van de Joodse Raad met registratielijsten
in de hand medewerking moesten verlenen aan de Duitse
militairen om de joodse bewoners, zowel gezonden als zieken
op brancards, uit hun huizen te halen en met een bundeltje
bagage in vrachtauto’s te laden om hen te verzamelen in de
Hollandse Schouwburg gelegen aan de Plantage Middenlaan, ter
verder transport per tram naar het Centraal Station, waar
zij in goederentreinen werden geladen en terstond werden
afgevoerd naar de concentratiekampen in Duitsland en Polen.
Afschuwelijk was dat. En ieder die zich daartegen verzette
onderging hetzelfde lot. In de gemeenten Amsterdam en
Zaandam werd vanuit de burgerij hiertegen geprotesteerd, met
als gevolg dat door de Duitse bezetter aan deze gemeenten
zware boetes werden opgelegd.
De Februaristaking
Tot op 25
februari 1941 vanuit de communistische hoek het
gemeentepersoneel in beide steden werd opgeroepen tot
algemene staking als protest tegen de jodenvervolging;
praktisch iedereen gaf daaraan gehoor. Het Gemeentelijk
Vervoerbedrijf en Reiniging lagen plat en vele particuliere
bedrijven volgden dat voorbeeld. Deze staking heeft maar
twee dagen kunnen duren want door de Duitse bezetter werd
dit rigoureus de kop ingedrukt; van veel bedrijven werd de
directie afgezet en kregen een “Verwalter”. De betreffende
gemeenten kregen zware geldboetes opgelegd en veel mensen
verdwenen in gevangenis of concentratiekamp of werden zonder
meer als voorbeeld ter dood gebracht. Aan allen die aan de
staking hadden meegedaan mocht geen loon worden uitbetaald;
werkgevers die dat wel deden zouden worden bestraft.
Ook vanuit de katholieke kerk werd geprotesteerd tegen de
jodenvervolging en werd onder gezag van kardinaal de Jong in
alle kerken van Nederland tijdens de Zondagsdiensten vanaf
de kansel een bisschoppelijke brief voorgelezen waarin de
maatregelen van het Duitse gezag scherp werden veroordeeld.
Dit was niet zonder risico, maar de Duitsers dorsten de
kardinaal en zijn bisschoppen niet aan te pakken. Want elke
daadwerkelijke hulp aan de joden werd door de bezetter zwaar
gestraft, veelal met de doodstraf welke zonder uitstel
terstond werd uitgevoerd. Hoofdzakelijk de joden en
zigeuners werden vervolgd en veelal geliquideerd.
Inmiddels had Jan een nieuwe baan gekregen bij de T.N.O.
(onderzoek technische producten) in Delft en verhuisden Jan
en Lenie naar de Verhagen Metmanstraat in Rijswijk bij Den
Haag. Omdat wij nu ruimte over hadden in huis werd van
hogerhand beslist dat wij 2 ambtenaren, die waren
overgeplaatst van Den Haag naar Amsterdam, in huis moesten
nemen. Die zijn geruime tijd bij ons geweest en gingen in de
weekenden naar huis; extra zorg voor mijn moeder. Met de
scholen liep het ook in het honderd door de tewerkstellingen
in Duitsland; jongelui vanaf ca.16 jaar liepen al kans dat
ze daartoe gedwongen zouden worden.
Voor
dwangarbeid naar Duitsland
In juni 1943
was het dan zover en werd ik in het kader van de
“Arbeitseinsatz” opgeroepen voor tewerkstelling
(dwangarbeid) in Duitsland en moest ik mij melden in gebouw
Atlanta op het Leidseplein. Direct was ik verdwenen en dook
onder bij mijn zuster en zwager in Koog a/d Zaan. Maar
weldra werd mijn vader duidelijk gemaakt, dat hij voor mij
aansprakelijk zou worden gesteld als ik mij niet aanmeldde,
met alle gevolgen van dien. Dat kon natuurlijk niet en
besloot ik mij dan toch maar bij Atlanta in Amsterdam te
melden.

Op een
dinsdag was de keuring en kreeg ik de boodschap dat ik in
Brandenburg bij Berlijn te werk zou worden gesteld. Niet
best, want dat was een gebied waar veel werd gebombardeerd.
(Na de oorlog bleek dat oom Johan Engels, een broer van
moeder, daar bij bombardementen was omgekomen.)
Alles moest halsoverkop klaar gemaakt worden voor vertrek.
Do maakte nog gauw van een paarse lap stof van moeder, een
pyjama met mooie opgenaaide tressen voor mij en vader maakte
van een soort houten hutkoffer een reiskist met draagbanden
voor mij.
Door toeval ontmoette ik een oude klasgenoot van het
Ignatius-College en die vertelde mij dat een groep
oud-leerlingen van school met jongens van een andere
middelbare school door bemiddeling van de scholen en de
directie van de Amsterdamsche Ballast Mij (o.a. hr. De
Vilder) uitgezonden konden worden naar een gezamenlijk
bouwwerk van de Duitse Hochtief A.G. en de Ballast Mij in
Waldshut in Zuid-Duitsland op de Zwitserse grens. Daar was
weinig last van het oorlogsgeweld.
Ik meldde mij aan bij het Ignatius en kon ook ik met de
groep mee.

Drie dagen
later, op vrijdag, was vertrek van het C.S. en zat ik met
een grote groep jongens in de trein naar Baden-Baden.
’s-Nachts aldaar overnachten op het perron en de volgende
ochtend verder naar Waldshut, onderweg stationstrappen
op-en-af-zeulend met een zware houten kofferkist en nog een
koffer.
Aangekomen in Waldshut was het een heel eind marcheren naar
het “Lager”, een afgesloten kamp met houten barakken waarin
woonruimten met een tafel en twee houten banken en dito
boven- en onderslaapplaatsen met een kast ernaast, en een
grote ijzeren kachel midden in deze woonruimte. Daar we
werden ontvangen door de “kok-Lagerführer” die ons duidelijk
maakte dat, indien we wat wilden eten, we eerst direct
aardappelen moesten schillen.
Daarna werd ons een slaapplaats toegewezen en kregen we een
strozak die we moesten vullen met stro, om op te slapen en
twee dunne paardendekens.
Het project waarop wij tewerk werden gesteld was de bouw van
een electriciteits-krachtcentrale door de Hochtief A.G.
(bestaat nog steeds) samen met de Amsterdamsche Ballast Mij.
aan de oever van de Rijn op de Duits-Zwitserse grens,
waarvan de turbines moesten worden aangedreven door water
dat via pijpleidingen ondergronds werd aangevoerd vanuit de
Schluchsee, een veertig kilometer verderop gelegen bergmeer
in het Zuidelijk-Schwarzwald.
Op maandagmorgen om zes uur weksignaal d.m.v. een stuk
spoorrail opgehangen aan een balk waarop met een ijzeren
staaf geslagen werd.
Een van de jongens had een trompet meegenomen waarop door
hem in het vervolg ’s-morgens op militaire wijze reveille
werd geblazen en wij “eraus” moesten.
Halfzeven aantreden voor de werkindeling. Bijna iedereen
kreeg een “schauffel” in de handen voor graafwerkzaamheden.
Daar had ik niet zo’n trek in en toen de opzichter mij kwam
vragen wat ik kon, zei ik “elektriker”; ik wist daar wel
iets van en dat leek mij beter dan in de klei te graven. Ik
was benieuwd hoe dat uit zou pakken. Er waren nog twee
knapen die zich voor “elektriker” uitgaven en zowaar was er
ook een echte Hollandse elektricien. Onze chef was een
Duitse “elektro-meister”, Herr Gülz, een gemoedelijke man,
die al gauw in de gaten had dat wij “amateurs” er eigenlijk
niet veel van wisten. Hij was niet de beroerdste en leerde
ons wat wij moesten doen en bracht ons de noodzakelijke
kneepjes van het vak bij. Er was nog niets en moest de
centrale vanaf de grond worden opgebouwd. Ons eerste werk
was naar verschillende punten op het werkterrein
bovengrondse elektrische 360 V. krachtleidingen aanleggen om
machines, pompen, draglines, heimachines en cementfabriek
van stroom te voorzien.
Dat hield in eerste instantie in
2 meter diepe kuilen graven waarin de elektriciteitsmasten
geplaatst moesten worden, met twee man deze masten op je nek
van de stapelplaats halen en in de gaten plaatsen. Dan met
klimijzers aan je voeten en veiligheidsgordel om de masten
in klimmen om glazen isolatoren te monteren waarop de drie
krachtleidingen vanuit het transformatorhuis getrokken en
gemonteerd moesten worden. Dat moest over het gehele
werkterrein gebeuren en werden er op die manier heel wat
kabels getrokken. Dat was de hele dag werken ongeacht of het
regende of sneeuwde. Om aan het werk te wennen stopten wij
in het begin om vier uur maar al gauw werd de werktijd tot
half zes. Zaterdags werd tot vier uur gewerkt en ongeregeld
moest ook op zondag gewerkt worden tot twaalf uur.
Door het ruwe werk was het onvermijdelijk dat je regelmatig
verwondingen aan handen en benen opliep en door vuil
ontstekingen en vaak grote zweren ontstonden die je meestal
zelf uitkneep en zo mogelijk door een “sanitäter” liet
behandelen. veelal bleven lidtekens achter. Met zo’n
verzwering onder de nagel van mijn duim moest ik toch een
dokter in Waldshut opzoeken. De man bekeek de duim en zei:
“gaat U maar op een stoel zitten”. Hij haalde een tang en
draaide daarmee zonder verdoving de nagel van mijn duim. Dat
zal ik nooit vergeten, ik kon wel tegen het plafond
springen.
Er werden ook mensen ingedeeld bij een z.g. “ram”-ploeg,
d.w.z. helpen bij de bediening van een grote
stoomheimachine (de Ram, genoemd naar het Duitse Dampframme),
welke werd gebruikt voor het heien van damwanden en
fundering. Zo’n machine werkte met stoom-cilinders en moest
er altijd iemand van de heiploeg ’s-morgens extra vroeg op
om het vuur onder de waterketel op te stoken, zodat er
voldoende druk op de ketel stond om te kunnen beginnen met
heien als de “Ram-Meister” op kwam dagen. Op Maandagmorgen
verscheen die meestal enigszins beschonken op het werk.
Voor transport op het werkterrein werd een smalspoortreintje
met aanhangwagentjes gebruikt en werd een ploeg mensen
belast met het waar nodig aanleggen van smalspoortrajecten;
dat was een echte schep- en sjouwploeg, trajecten
egaliseren, bielzen aandragen en daarop rails leggen en
monteren. En dan de locomotief er over en kijken of dat goed
ging. Dat ging wel eens mis en ontspoorde (soms bewust) de
boel. Er moest ook een traject worden aangelegd naar het
nabij gelegen dorp Dogern, waar een treinstation was en daar
aangevoerde materialen moesten worden opgehaald. Als het
nodig was werden ook wij bij dit werk ingeschakeld.

Ik had van
thuis een paar klompen en laarzen mee gekregen en die kwamen
op het werk goed van pas. Er was een grote gezamenlijke
doucheruimte; als de wasman (Bertus Nienhuis uit de
Vechtstraat) de ketel had opgestookt voor warm water, kon je
met zijn allen onder de sproeiers douchen en soms wel eens
vuil goed laten wassen. Kleren moest je zelf repareren en
ook sokken stoppen, want er werd geen kleding, sokken,
ondergoed of schoeisel verstrekt. Voor ons vertrek was ons
gezegd dat we zelf reparatiespullen moesten meenemen. Om
kleding of ondergoed te mogen kopen moest je een aanvraag
indienen bij de gemeente, maar zo’n verzoek werd praktisch
altijd afgewezen.
Voor ’s-morgens en ’s-middags werd bruin brood verstrekt en
tegen de avond kon je met een lamel eten halen bij de kok in
de keuken. Eén keer in de week werd een witbrood met een
stuk margarine en suiker verstrekt.
In de woonruimte waar wij met acht man verbleven stond een
grote ijzeren potkachel waarmee wij in de winter de ruimte
konden verwarmen. De kolenvoorraad haalden wij uit het kamp
en deponeerden die op de houten vloer naast de kachel.
Het was een gemêleerd gezelschap met jongens uit bekende
families (de Vilder, Kreymborg, van Pampus, Galavazi,
Mutsaerts, e.a.) ,
We kregen een vergoeding van ca RM (geen DM) 0,65 (ca f
0,50) per uur en daarvan werd een bedrag ingehouden voor
kostgeld en verblijf in het kamp. Wij hielden voor ons zelf
niet zoveel over en gebruikten dat voor eten of drinken,
want er was verder toch niets te koop.
De meesten waren Christelijk of R.K. en was het een verzetje
om zo mogelijk op zondagmorgen naar een kerkdienst in
Waldshut te gaan (ca 4-5 km lopen) en daarna in Zum Lam of
Rheinischer Hof een Apfelstrudel of i.d. te drinken.
(Sterke drank was voor ons niet verkrijgbaar, wel af en toe
een biertje).
Dan terug naar het Lager voor eten en ’s-middags was je vrij
om als je zin had weer naar Waldshut te lopen naar de Kino
van Frau Meyer in de Kaiserstrasse (de hoofdstraat) tussen
de Oberes- en Unteres Tor, maar vaak was je te moe om naar
de film te kijken en vielen je ogen dicht en had je de
neiging om in te dutten.

Het werk aan
de elektrische leidingen was niet geheel zonder risico, want
soms werd in het transformatorhuis vergeten de stroom uit te
schakelen als er boven in de electriciteitsmasten gewerkt
moest worden.
Wat dat betreft heb ik een heel goeie bewaarengel gehad, wat
ik ook in latere situaties zou ondervinden. Je werd op
karwij gestuurd terwijl je niet wist dat de krachtstroom
niet werd uitgeschakeld.Tot driemaal toe boven in een mast
onder stroom gestaan door een onwillekeurige aanraking van
een andere fase-geleiding of ankerverbinding naar aarde,
waardoor de 360V-krachtstroom een uitweg zocht door je body
en je niet weet hoe het komt dat je toch weer los kon komen.
In het transformatorhuis worden de voedingskabels aan de
verschillende stroomfase-rails gemonteerd. Ik moest ook
kabels aan de rails monteren maar wist niet dat de boel
onder stroom stond. Onwillekeurig raakte ik een tweede rail
aan en gelijk werden de spieren van mijn handen om beide
rails samen getrokken en kon niet meer los komen. Gelukkig
stond iemand achter mij (maatje de Jong uit Amsterdam) die
terstond mijn jas van achteren vastpakte en kans zag mij zo
van de twee stroomrailsen af te trekken. De binnenkant van
sommige vingers waren verbrand. Enorm geluk gehad.
We hadden bewegingsvrijheid in de Kreis Waldshut, d.w.z. ook
in het omliggende gebied; we konden b.v. de trein pakken
naar omliggende plaatsjes. Maar naar de overkant van de Rijn
mochten we slechts kijken; dat was Zwitserland
De grens werd bewaakt door oudere gewapende Duitse
militairen, terwijl overal schijnwerpers stonden opgesteld.
Toch heeft een van onze jongens (ook ene de Jong uit
Amsterdam) in het najaar van 1943 getracht ’s-nachts de Rijn
over te zwemmen naar de overkant. De rivier maakt er een
bocht en de stroming is erg sterk doordat daar de rivier de
Ahr vanuit Zwitserland in de Rijn uitmondt. De Jong heeft
het niet gehaald; hij werd tijdens het zwemmen ontdekt door
de Duitse grenswacht en in het water doodgeschoten. Hij is
een eind verderop uit het water gehaald en in het
grensdorpje Dogern op het kerkhof begraven.
Kerstmis 1943 naderde. Er kan daar in de wintertijd enorm
veel sneeuw vallen wat daar het Schwarzwald-landschap op een
kerstkaart doet lijken. Met de Kerst naar de nachtmis in
Waldshut waar wel vijf grote kerstbomen in de versierde kerk
staan en na afloop naar “Zum Lamm” in de Kaiserstrasse voor
kerstbrood en koffie, want de “Wirtschaft” blijft in zo’n
nacht geopend. Er wordt twee dagen niet gewerkt, wat ons
tijd gaf wat spullen te repareren en te wassen en een brief
naar huis te schrijven. Want dat was wel mogelijk, hoewel
alle post bij de Lagerfuhrer moest worden afgegeven en op
een speciale kaart werd opgetekend. Ook kregen wij wel eens
post van thuis.
Totdat op maandag 24 januari 1944 bij het opstaan bleek dat
het kamp was afgezet en omringd met Duitse politie en
militairen. Wat was er gebeurd.
Aan de Rijnoever van het werkterrein waarop de centrale werd
gebouwd lag in het water een vlot waarop een kleine
heistelling van ca 4 meter hoog.
Zonder dat wij er iets vanaf wisten en hadden opgemerkt had
een groep van 20 man uit ons kamp het plan opgevat om de
avond daarvoor met dat vlot te vluchten en de ca. 300 meter
brede en krachtig stromende Rijn over te steken.
Zij hadden
plankjes uit de bedden gesloopt om de rivier over te
peddelen. Hoewel zij zichzelf weinig kans gaven zijn zij met
dat vlot met heistelling van wal gestoken en hebben als
gekken gepeddeld om dat vlot door de sterke stroming van de
door schijnwerpers beschenen Rijn te krijgen. Hoe was het
mogelijk dat je in oorlogstijd en in het licht van
schijnwerpers met twintig man peddelend met beddeplankjes
door die stroming probeert te komen en dat het lukt om die
overkant te bereiken, een hele langzame overtocht die twee
uur duurde en als door een wonder door geen grenswacht werd
opgemerkt. Het is best mogelijk dat op dat moment “goede”
soldaten de “Wacht am Rhein” hebben gehad en de jongens
hebben laten peddelen en bewust niet hebben opgemerkt. Zo
iets is mij later ook overkomen.
Na de oorlog vernamen wij dat zij in Zwitserland tewerk
werden gesteld bij wegenaanleg. Na terugkeer in Nederland
werd door de Zwitserse regering nog een rekening
gepresenteerd voor terugbetaling van kosten levensonderhoud
tijdens hun verblijf aldaar. Die kwestie schijnt via Den
Haag te zijn opgelost.
Maar dit voorval had voor ons wel gevolgen. Er werden direct
maatregelen genomen dat het kamp werd afgesloten en wij
konden dit slechts verlaten om onder militaire begeleiding
naar het werk te gaan. Een zot gezicht, dat je daar door een
met een geweer gewapende militair over de weg naar je werk
wordt gebracht en gehaald.
Deze toestand heeft ruim zes weken geduurd. Het werd er niet
leuker op. De Lagerführer werd vervangen door iemand met een
SD-(Sicherheits-Dienst) achtergrond en ook mijn baas Gülz
werd vervangen door een nieuwe chef met de naam Kaprasse,
een drillerige kerel met een spits havikachtig gezicht onder
een gleufhoed met brede rand, altijd in een breeduitstaande
rijbroek met daaronder zijn O-benen gehuld in zwarte
beenkappen, die nu op een uiterst onsympatieke manier zijn
gezag over ons kon botvieren en dat duidelijk liet merken;
niets was goed en hij was niet te beroerd om je te dreigen
met opname in het “Erziehungslager”, een strafkamp waarin de
mensen gedurende zes weken werden aangepakt en geleerd hoe
ze moesten werken. Er zijn inderdaad enige jongens uit ons
kamp wegens meningsverschillen daar naar toegestuurd, maar
zij vertelden na terugkeer nooit hoe het daar was geweest;
waarschijnlijk was dat hen verboden.
Ik kreeg er echt meer dan genoeg van en begon er over na te
denken hoe ik daar weg zou kunnen komen. Als je ergens in
een Wirtschaft wat wilde eten, moest je altijd een z.g.
distributie-“Fettmark” van 5 of 10 gram afgeven. Iedereen
kreeg periodiek een aantal van die distributiebonnen, waarop
levensmiddelen gekocht kon worden. Ik had inmiddels gezorgd
een voorraadje van die bonnen te hebben om als het nodig
was, ergens te kunnen gaan eten. Bij een boerderij in de
buurt had ik een fiets zien staan en was ik serieus van plan
met die fiets de benen te nemen, dwars door het Schwarzwald
naar het Noorden. Het laatste weekend in april 1944 leek mij
gunstig om te vertrekken, omdat aansluitend op maandag 1 mei
(dag van de arbeid) niet gewerkt zou worden en ik daardoor
twee dagen speling zou hebben vòòr dat ik op het werk gemist
zou worden. Echter op de bewuste zaterdagmorgen 29 april
1944 gebeurde er iets waardoor de situatie zich volkomen
wijzigde.
De hoofdopzichter kwam naar mij toe en vroeg of ik kan “Mauern”,
d.w.z. metselen.
Ik zei ja, hoewel ik dat nooit gedaan had. Hij zei tegen
mij, dat ik mij dan maandagmorgen moest melden op het
stadhuis van Waldshut. Zo gezegd, zo gedaan. Het idee van
die fiets liet ik maar even varen.
Het bleek dat ze mensen nodig hadden om metselaars te helpen
die in de stad reparaties moesten uitvoeren. Alle Duitse
mannen van jong tot middelbare leeftijd waren gemobiliseerd
voor het front en dus moest ergens anders hulpkrachten
worden gezocht. En zo kwam ik in het metselaarswereldje
terecht. Ik moest twee mannen helpen met hand- en
spandiensten; ik kon goed met ze opschieten en het werk ging
mij goed af. Ik moest wel iedere dag van het kamp naar de
stad en terug lopen, maar dat vond ik niet zo erg.
Ik bleef dus onder het regiem van het werkkamp. Er was een
gestadige toename van bewoners in het kamp. Er kwamen
Fransen, Spahis (ruiters uit Marokko), Poolse en Oekraïense
vrouwen, die uit hun land waren weggehaald voor
tewerkstelling in Duitsland en op het land bij de boeren
moesten werken. Ook kwam er een barak voor Poolse
krijgsgevangenen gekleed in mooie Poolse legeruniformen
(officieren?), die geregeld Rode Kruis-paketten ontvingen.
In augustus 1944 kregen wij zowaar een week verlof en
mochten wij ons in de Landkreis Waldshut begeven. Je moest
altijd een pas met “Aufenthaltserlaubnis” bij je hebben. Zo
ging ik dus met Jan Snijders uit Haarlem op pad voor een
voettocht door de Landkreis, via het Albtal naar Sankt
Blasiën. Onderweg haalden we ons kostje wel op en zochten
ons wel ergens een slaapplaats, meestal in een verlaten stal
of hut. Bij St.Blasiën hadden we het beter getroffen. Wij
ontdekten daar een sanatorium waar de patiënten overdag
buiten onder een grote luifel in bedden verbleven. Die
bedden bleven ’s-nachts leeg buiten staan en kropen wij daar
’s-avonds in om ’s-morgens vroeg weer te verdwijnen. Wat een
luxe tussen de lakens te liggen! Zo zie je dat door de
omstandigheden de normen op een lager pitje kwamen te staan.
Het was een echte zwerversweek waarin we als vagebonden
rondzworven, onbekommerd ons een willekeurige
overnachtingplaats opzochten en de inwendige mens tevreden
konden stellen.
Wat heeft een mens eigenlijk weinig nodig!
Bij terugkeer in Waldshut kreeg ik van de gemeente-opzichter
te horen dat ik mij moest vervoegen bij Gipsermeister Herr
J.Wolf, Eisenbahnstrasse nummer 3. Herr Wolf had een
stukadoorsbedrijf met wel circa dertig man personeel gehad
en klanten tot zelfs in het Zwitserse Zürich. Maar al zijn
personeel was opgeroepen voor militaire dienst en had hij
geen mankracht meer. Ik moest hem dus helpen en zo kreeg ik
van hem een praktijkopleiding stukadoren! Mensen uit het
Ruhrgebied die door bombardementen geen woning meer hadden,
werden naar Zuid-Duitsland overgebracht en daarom moesten
zolders van huizen in Waldshut worden omgebouwd tot
woningen. Dat was heel hard werken bij Herr Wolf, die zelf
al in de zestig was, maar het was een stuk prettiger dan op
de Baustelle bij het kamp. Met de handkar of een echte
houten ossenwagen met een os er voor! moesten materialen als
zakken cement, gips, kalk en lange planken worden vervoerd
en op je nek naar zolderverdiepingen op veelal de derde of
vierde verdieping van die huizen worden gesjouwd en ook al
het afval moest in grote ijzeren bakken op je rug naar
beneden worden gedragen. De timmerman had dan al de houten
betimmeringen gemaakt waartussen de wanden en plafonds
moesten worden gemaakt. En met z’n tweeën elke twee weken zo
een woonruimte afleveren! Plafonds van stro-cementplaten
timmeren en dan daar tegenop plafonds trekken van gips en
kalk en dat moest nog haaks op elkaar en recht en strak
zijn. Dan moesten op dezelfde manier de wanden worden
getimmerd en gestukadoord, strak en recht! Toch kreeg ik er
tamelijk vlug handigheid in. Van lieverlee ook karweitjes
bij particulieren opknappen; d.w.z. de mannen waren
praktisch allemaal opgeroepen voor militaire dienst, dus
trof je alleen de achtergebleven dames thuis. Die waren
allemaal even vriendelijk en ze wilden allemaal wel je
sokken stoppen. Maar ik hield het maar bij het karwei dat ik
moest opknappen en verder geen problemen!
Het was hard werken bij hr. Wolf maar het was beter dan op
de Baustelle. Hr Wolf was weduwnaar en hij had een zoon
verloren aan het Oostfront. Zijn schoonzoon was ook in
dienst en zijn getrouwde dochter was bij hem in huis alsmede
nog een dochter die in Freiburg studeerde maar geregeld
thuis was. Zij zocht mij wel eens op in de werkplaats en wij
konden goed met elkaar opschieten, maar verder niets; ik was
en bleef toch een buitenstaander. Tot op een maandagmorgen
ik bij de werkplaats kwam en hr. Wolf mij opwachtte en
vertelde dat de zaterdag daarvoor zijn dochter Gertrud in
het nabij gelegen plaatsje Laufenburg op haar fiets door een
auto was aangereden en daarbij dodelijk was verongelukt.
Afschuwelijk was dat.
Zoals daar kennelijk gebruikelijk was werd op de dag van
haar begrafenis de witte kist ’s-morgens op het trottoir
langs de weg voor het huis geplaatst en bleef daar staan tot
zij ’s-middags werd begraven. Hr Wolf kon het niet opbrengen
zijn beroep langer uit te oefenen en het bedrijf kwam stil
te liggen. Ik moest nu helpen bij de bouw van stenen
noodwoningen voor mensen uit gebombardeerde steden.
In juni 1944 was de invasie in Normandië geweest, in Italië
waren de geallieerden ook aan land gegaan en je kon merken
dat er onrust kwam in het land. Steeds meer jongens vanaf 16
jaar en ook oudere mannen werden ingeschakeld om
semi-militaire werkzaamheden als graafwerkzaamheden voor
mogelijk op te werpen verdedigingsbarrières te verrichten.
Werken
onder de Organization Todt
Dat ging een
tijd goed tot in het najaar van 1944 de toestand in het
Oosten en in het Westen voor de Duitsers zo kritiek werd,
dat werd afgekondigd dat buitenlandse dwangarbeiders onder
het regiem van de Organization Todt moesten worden
geplaatst. Dat hield in dat zij overal te werk konden worden
gesteld waar mensen nodig waren. Todt was een hooggeplaatste
nazi en onder zijn supervisie vielen alle bouwwerken welke
ten behoeve van de nazi’s en het Duitse leger moesten worden
gemaakt of aangelegd.
De bouwactiviteiten bij het kamp waren nagenoeg stilgelegd
en alle beschikbare mankracht en materialen in heel
Duitsland moesten worden aangewend om dat land aan de
overwinning te helpen.
We hoorden geruchten dat de geallieerden in het Westen en de
Russen in het Oosten oprukten en dat er zwaar werd
gevochten.
In november 1944 was het zover. Een deel van de
kampbewoners, waaronder ook ik, moesten hun bagage in
vrachtauto’s laden en vertrokken met onbekende bestemming.
We kwamen aan in Donaueschingen en werden in een loods met
stapelbedden, waarboven altijd brandende grote lampen
hingen, ondergebracht.

Wij moesten
in de bossen landingsstrips van lange dunne boomstammen
aanleggen, waarop Messerschmits-jachtvliegtuigen konden
landen en opstijgen. Dit was het begin van een periode van
minder prettige en tamelijk primitieve leefomstandigheden.
En altijd weer zweren aan het lichaam, die je zelf uitkneep
en probeerde door een “sanitäter” te laten verzorgen.
Na drie weken werden we weer verplaatst en kwamen in een
schoollokaal in Haslach terecht. Vandaar gingen we in de
s’-avond per vrachtwagen naar het station in Emmendingen
waar in de nacht goederenwagens moesten worden gelost.
Overdag kon dat niet want dan waren Engelse Spitfires in de
lucht die op alles wat zich op de grond bewoog, hun raketten
en mitrailleurs in duikvlucht afvuurden. Van hieruit konden
wij het zware geschut horen dat in de Elzas bij de
“Kaiserstuhl” werd gebruikt in de strijd tussen geallieerden
en Duitsers.
Als matras kregen wij een hoes gevuld met houtzaagsel. Dat
wordt na een keer gebruik net zo hard als een plank. Ik had
mijn neven Jan en Jack Engels die in het nabijgelegen
Villingen in een klokkenfabriek werkten geschreven waar ik
was en wat voor werk wij moesten doen. Prompt kreeg ik twee
dagen later een “Schuppo” (politie) aan mijn bed met een
waarschuwing dat over zo iets niet geschreven mocht worden.
Ook alle binnenlandse post werd dus gecensureerd. Met Kerst
1944 hoefden wij niet te werken en toen wij op het
dorpsplein van Haslach in een Wirtschaft wat gebruikten,
werd het centrum door Engelse jagers onder vuur genomen en
kletterden de mitrailleurkogels door de straten.
In januari 1945 werden wij voor korte duur teruggebracht
naar Waldshut om daarna begin februari op transport te
worden gesteld naar Kochendorf bij Bad Friedrichshall, boven
Neckarsulm en Heilbron.
Ondergrondse fabriekshallen in de zoutmijnen bij Jagstfeld,
(Heilbron)
Met een
kleine groep kwamen wij terecht in een barak van een naar
groenteafval stinkend Russisch krijgsgevangenenkamp. Het
bleek dat wij bij een zoutmijn terecht waren gekomen en
waarin wij tewerk werden gesteld. Het was een smerige bende.
Ik kan mij niet goed herinneren hoe de sanitaire
voorzieningen daar waren, maar het was een vieze troep. Het
bleek dus, dat de lege zoutkoepels onder de grond moesten
worden gebruikt als bomvrije hallen voor de fabricatie van
voor de oorlog benodigde producten. Daarvoor moesten door de
bergen schuin naar beneden grote tunnels worden geboord naar
de ondergrondse zouthallen om zo de benodigde machines naar
beneden te kunnen transporteren.
Op het werkterrein was een loods voor het elektriciteitswerk
en daar werd ik ingedeeld. Het werk was weer
krachtstroomverbindingen maken zowel buiten als binnen in de
te maken tunnel. Het toppunt was wel dat die afschuwelijke
baas Caprasse uit Waldshut over dit soort werk hier de
leiding had.
Met dynamiet liet men in de kop van de tunnel steeds stukken
rots springen. De massa’s water welke uit de berg vrij
kwamen werden met pompen naar buiten gepompt en terwijl de
nieuwe stukken tunnelwand met cement werden dichtgemaakt en
afgewerkt om het bergwater uit de wanden tegen te houden,
moesten wij in de hoogte op steigerplankiers de voortgang in
de kop van de tunnel volgen en steeds verder vooraan in de
tunnel nieuwe verlichting aanbrengen.
Dat deed ik samen met een Belg. Als er weer gaten in de
tunnelkop waren geboord en daarin dynamiet was aangebracht
werden alle machines, pompen en transportbanden voor het
afvoeren van brokken gesteente stopgezet en de tunnel geheel
ontruimd, waarna de springstof tot explosie werd gebracht.
Het gebeurde dat ik samen met die Belg-collega
boven op het plankier in de kop van de tunnel bezig was
leidingen aan het plafond te monteren, toen het ons opviel
dat het om ons heen totaal stil was en de waterpompen en
transportbanden waren stilgezet en iedereen uit de tunnel
verdwenen was. Wij schreeuwden naar de tunnelingang in de
verte en hoorden vandaar terugschreeuwen: “Pas Auf:
Sprengarbeiten!” : Wij gingen direct plat voorover op het
plankier liggen met de armen over ons hoofd en gelijk
ontplofte het dynamiet in de bergwand pal voor ons en vlogen
met vreselijk lawaai stukken rotsgesteenten en troep over
ons heen. Gelukkig was alles over ons heen gegaan en waren
wij niet geraakt. Men had helemaal niet in de gaten gehad
dat wij daar nog aan het werk waren. Het was wonderlijk goed
afgelopen.
In het gebied waar wij nu waren werd veel gebombardeerd en
vlogen ook overdag veel bombardementsvliegtuigen over. Als
zo’n formatie van wel honderd vliegtuigen in een vierkant
over vlogen gebeurde het wel dat dan een tapijt van bommen
werd losgelaten wat een geluid veroorzaakte alsof er een
hevige wind opstak. Je moest zorgen dat je bijtijds een
schuilplaats had opgezocht. Zo zagen wij op afstand dat de
NSU-fabrieken (auto’s en motoren) in Neckarsulm (bij
Heilbronn) door zo’n bommentapijt geheel werden vernield.
Na korte tijd werden ik en een paar andere mensen ziek;
beroerd en vreselijke diarree. En dat met die smerige
poepdozen.
Wij verbleven in een Russisch krijgsgevangenenkamp en daar
was dus Russische medische verzorging, of wat daarvoor door
moest gaan. Ik kreeg een vrouwelijke Russische arts(?) aan
mijn slaapkrib en die stelde vast dat wij dysenterie hadden
en direct het kamp uit moesten voor opname in een
ziekenhuis. Met een open vrachtwagen werden wij weggehaald
en opgenomen in een ziekenhuis. Maar omdat alles
ziekenhuizen vol waren kwamen wij terecht op de
kinderafdeling van een ziekenhuis. Dat hield in dat wij op
een zaal met kinderledikanten van 1.50 meter kwamen te
liggen. Wij lagen daar dus met opgetrokken knieën in zo’n
kort bedje, maar je had schoon goed op je bed en je kon je
behoorlijk wassen en dat was al heel wat. Het eten was daar
beter dan wat wij in het kamp gewend waren en kregen daar
zowaar witbrood te eten. Bovendien kon je daar van een
behoorlijk toilet gebruik maken. Dagelijks moesten wij op de
pot en werd aan de hand van de inhoud de toestand van de
patiënt vastgesteld. We hadden een pronte verpleegzuster,
“Schwester Ruth”, niet-onaardig om te zien maar een die wel
op een afstand bleef en ons zowaar ’s-avonds “welterusten”
kwam zeggen. Maar zodra er luchtalarm was moesten wij wel
ons bed uit en de schuilkelder in.
Na verloop van een week constateerden de doktoren dat de
inhoud van de po’s er beter uitzag en als het zo bleef wij
weer terug moesten naar het kamp. Dat was niet leuk want het
beviel ons best in dat ziekenhuis. De volgende ochtend ben
ik met mijn po met inhoud de gang opgegaan en heb die al
roerende met een stokje even onder de kraan gehouden. Toen
de dokter kwam vond hij dat het er toch niet al te best
uitzag en ik nog maar even moest blijven. Dat heb ik nog
even kunnen volhouden maar het duurde niet lang of ik moest
terug naar het kamp waar allerlei mensen voor dwangarbeid
waren ondergebracht.
Op een gegeven moment zagen wij een man en een vrouw
langskomen; hij met een schep op zijn schouder en een kistje
onder zijn arm. Het bleek dat hun kindje was overleden en
gingen zij dat nu ergens begraven. Triest.
Je werkte voortdurend onder toezicht van jonge bewapende
militairen. Waarschijnlijk ook omdat in de nabijheid een
concentratiekamp was waarin Roemeense joden waren
ondergebracht die ook in en om de zoutmijnen moesten werken
en voor allerlei werkzaamheden werden ingezet; veelal
graafwerk en het sjouwen van zware brokken gesteente
afkomstig uit de tunnel. Bij ons werden twee Roemeense
elektroningenieurs ingedeeld die hand- en spandiensten
moesten verrichten. Er waren veel mensen bij met een hogere
opleiding.
Ten aanzien van deze joden werden wij geconfronteerd met
afschuwelijke en mensonterende situaties. In het kamp waarin
zij verbleven was plaats voor de helft van het aantal mensen
dat daar werd ondergebracht. Voor twee mensen was slechts
één slaapplaats beschikbaar; de een moest overdag werken en
de ander ’s-nachts. Zo konden zij met z’n tweeën één bed
delen. Zij liepen allemaal rond in de bekende gestreepte
gevangenenkleding met gestreepte muts op het hoofd.
Inmiddels was de situatie zo verward geworden en hoorden wij
bij geruchte dat het oorlogsgeweld steeds dichter bij kwam,
dat wij ons afvroegen hoe wij hieruit moesten komen en of
wij ooit nog wel terug zouden kunnen keren. Door alles wat
je om je heen zag werd je zelf ook harder en werd de
situatie zo, dat ieder langzamerhand kostte wat het kost,
alleen aan zichzelf ging denken. Het werd ook duidelijk dat
bij ieder beschaafd mens in dergelijke bedreigende situaties
op een gegeven moment alle normen kunnen vervagen . Zelfs
van de ellende en dood van een ander keek je niet meer op en
telt alleen nog je eigen-ik.
’s-Morgens vroeg kwam de dagploeg in colonne opdagen vanuit
het joodse gevangenenkamp, onder toezicht van de eigen
Kapo’s; dat waren ook joodse gevangenen die door hun goed en
ijverig gedrag in het kamp, werden aangesteld als
kameroudsten en toezichthouders op hun joodse
medegevangenen. Dat was het systeem: Verdeel en heers! Dat
deden die kapo’s ook en velen van hen waren feitelijk
rotzakken die probeerden bij de Duitsers in een goed blaadje
te komen en er niet tegenop zagen hun eigen medegevangenen
af te blaffen en desnoods, als die niet snel genoeg konden
doen wat van hun verlangd werd, aan te geven bij de Duitse
kampleiding, wat voor de betrokkenen meestal fatale gevolgen
had.
Iedereen moest mee naar het werk, ook de zieken en mensen
die haast niet meer konden lopen. Die werden dan tussen twee
medegevangenen naar het werk gesleept of gedragen en werden
dan op het werk neergelegd. Als de ploeg na de arbeid weer
terug keerde naar de barakken werden die mensen op dezelfde
manier weer meegenomen. Maar meestal zag je na verloop van
tijd die mensen niet meer terug. Als zij op het werk kwamen
droegen velen grote keien mee en vroegen zij of wij vuur
wilden maken in de grote ijzeren potkachel die in de
werkplaats stond om daarop die stenen te verhitten. Als zij
na het werk terug gingen naar hun barak droegen zij in
lappen die verhitte stenen mee om die op hun slaapplaats te
leggen om zich daaraan te kunnen verwarmen tegen de kou.
Wij kregen af en toe wel wat zeeppoeder om wat spullen te
kunnen wassen. We moesten ook op Zaterdag en Zondagmorgen
werken. Soms zagen we kans om op Zaterdagmorgen in onze
werkplaats in een soort wasketel met wat zeeppoeder een warm
sop te maken en daarin wat vuil goed van sommige joodse
gevangenen te wassen, maar je moest wel oppassen dat niemand
dat zag. Dat was het enige wat je voor hen kon doen, en zij
waren er blij mee.
De activiteiten in de lucht namen steeds meer toe, steeds
meer luchtalarm en voortdurend jachtvliegtuigen in de lucht
die regelmatig in duikvlucht op hun doel doken en raketten
afvuurden en met hun mitrailleurs schoten op alles wat zich
op straat of weg bewoog. Aan de weinige treinen die nog
reden was achteraan altijd een platte goederenwagen gehaakt
waarop bemand afweergeschut was gemonteerd.
Bij geruchte hoorden wij dat Amerikanen en Fransen in het
westen en de Russen in het oosten van Duitsland steeds
verder oprukten en je merkte dat er onrust kwam onder de
Duitsers. Van lieverlee zagen wij ook minder joodse
gevangenen op het werk komen en ook onze elektroningenieurs
kwamen op zeker moment niet meer opdagen. Wat er met hen is
gebeurd weten wij niet. Ons groepje Nederlanders voelde de
spanning in de lucht hangen en spraken we er wel eens over
wat we zouden kunnen doen om weg te komen nu de frontlinies
naderbij kwamen.
We wisten dat we weg moesten, maar hoe!
Een paar man uit onze groep hadden een schaap uit een
weiland georganiseerd en geslacht, omdat in de kampkeuken
niet veel eten meer voorradig was en wij op die manier iets
aan ons rantsoen konden toevoegen. De situatie werd er niet
beter op toen wij bemerkten dat men het kamp waarin de
joodse gevangenen waren ondergebracht wilde ontruimen. Er
kwam een trek naar het Oosten op gang. De geallieerden
rukten op en kwamen dichterbij en men wilde niet dat deze
gevangenen achter zouden blijven. Die moesten voor zover het
kon mee in Oostelijke richting. De gevangenen die nog over
waren werden te voet naar een nabijgelegen spoorlijn geleid
en daar opgesteld om per trein te worden weggevoerd. Dat
dachten zij en ook wij, maar het bleek dat zij daar ter
plekke werden geliquideerd, niet eens met een kogel maar met
de kolf van een geweer.
Je gevoelens werden verdrongen, je keek nergens meer van op
en verhardde en ieder dacht alleen nog maar aan zichzelf.
We wilden hieruit en wisten een handkar te bemachtigen. We
besloten met een groep van tien man en een vrouw (Zeeuws
echtpaar) te voet richting Heilbronn en Stuttgart te
trekken, ca. 50 km. Het was eind maart. Zodra het donker was
gingen wij op weg, om beurten de kar duwen en trekken. De
hele nacht door tot het licht begon te worden. Zodra het
ochtend werd zochten wij langs de weg een schuilplaats op,
want niets was overdag veilig voor de altijd in de lucht
zijnde jachtvliegtuigen. Als het duister werd weer lopen, de
hele nacht door tot het weer licht werd. Toch nog kans
gezien een stuk met een trein mee te rijden tot Stuttgart.
Er waren nu echt veel mensen onderweg die een veilig(?)
heenkomen wilden zoeken maar niet goed wisten waarheen zij
zouden gaan. Er waren groepen mensen die zich zowel naar het
zuiden, het oosten en als naar het noorden verplaatsten en
zo in tegenstrijdige richtingen trokken. In Stuttgart werd
ons te verstaan gegeven dat wij naar Leipzig moesten. Daar
voelden wij niets voor en probeerden op het station een
trein te vinden die naar het zuiden ging. Dat lukte en
kwamen daarmee tot Ulm. Het centrum van Ulm was grotendeels
platgebombardeerd, alleen de Dom met toren stond nog
overeind. Provisorisch waren gaarkeukens ingericht en en
werd daar aan de mensen eten verstrekt. Dan op het station
weer wachten tot er misschien een trein richting Immendingen
en Singen ging om van daaruit te proberen Waldshut te
bereiken. Ik had vanuit Jagstfeld de houten kist-koffer en
een klein koffertje met spullen, kleding en goed dat nog
over was meegenomen en zeulde dat met me mee, de houten kist
op je nek. (Deze kist heb ik nog steeds bewaard.)
Gelukkig ging er nog een stoomtrein richting Singen en
konden wij mee, d.w.z. je moest zorgen dat je een plekje in
de overvolle trein veroverde, waar de mensen tot op de
treeplanken en voor-en achterbalkons hingen. (De
personenwagens van die treinen waren daar traditioneel zo
gebouwd). Naar spoorkaartjes werd niet meer gekeken en die
hadden wij ook niet. Op de tenders van de locomotief (d.i.
het achterstuk van de stoomlocomotief voor de kolen- en
watervoorraad) stond op de zijkanten de tekst: “Räder müssen
rollen für den Sieg!”. Er was alleen nog maar bruinkool
voorradig om het vuur in de locomotieven te kunnen stoken en
dat hield in dat door de bruinkool de vuurroosters snel
verstopt raakten en de machinist dan onderweg moest stoppen
om met de stoker de stookroosters schoon te maken, zodat we
weer verder konden. Een Duitse door de oorlog invalide
geworden medereiziger kreeg onderweg veel pijn aan zijn
been, en ik hoor het hem nog zeggen: “Verdammt nochmal, zum
Teufel, das Bein”. Hij maakte zijn broek los en frummelde in
zijn broekspijp en trok daaruit een houten kunstbeen. Toen
hij de trein uit moest nam hij het kunstbeen op zijn nek en
hinkte zo op een been de trein uit het perron op.
Vanuit Singen reed nog een trein richting Bazel en kwamen we
daarmee in Waldshut aan en liepen vanuit het stadje met de
bagage terug naar ons oude werkkamp.
Daar was het werk stilgelegd; er liepen mensen van de
“Volksstürm” heen en weer, meest oudere mannen en heel jonge
jongens van 14-, 15-jaar die ingedeeld werden bij de “Volksstürm”!
Ik zocht in Waldshut mijn oude baas Gipsermeister Wolf op,
en vertelde hem mijn wederwaardigheden en wat we hadden
meegemaakt. Toen ik hem vertelde dat in de zoutmijnen bij
Jagstfeld Roemeense joden waren tewerkgesteld en hoe die
daar werden behandeld en uiteindelijk waren geliquideerd,
werd hij kwaad dat ik zoiets durfde te beweren en zei dat
iets dergelijks onmogelijk was en niet waar kon zijn.
Hij geloofde dus absoluut niet dat zoiets in zijn land kon
gebeuren.
Het was inderdaad zo dat, afgezien van de immer aanwezige en
patrouillerende grenswachten en de met grote rollen
prikkeldraad versperde grensovergangen naar Zwitserland
alsmede de regelmatig overvliegende en af en toe
mitraillerende Engelse of franse jachtvliegtuigen (de
mosquitos), in het Zwitserse grensgebied weinig van de
oorlog te merken was. Het was dus begrijpelijk dat mensen
die in dergelijke streken woonden en niet direct bij het
oorlogsgeweld waren betrokken, er soms nauwelijks idee van
hadden van wat er zich in werkelijkheid in hun land
afspeelde, afgezien van het feit dat ook hun zonen en jonge
mannen opgeroepen waren voor militaire dienst en veelal naar
het oorlogsfront moesten.
De zondag daarop, het was begin april 1945, gingen wij
’s-morgens in Waldshut naar de kerk en daarna in het stadje
naar een Wirtschaft om een glas “most” (sap van geperste
appels waarvan het suikergehalte zich nog moest omzetten tot
een bepaald alcohol percentage) te drinken.
In de Wirtschaft zaten wij aan tafel met een militair die
vanwege zijn middelbare leeftijd dienst moest doen als
grenswacht. Ik kende de man, want hij patrouilleerde destijds
geregeld op het werk van de Hochtief A.G. en had ik hem bij
gelegenheid wel eens als “Tausch” een
pakje Ersatz-koffie gegeven. Dat was dus geen echte koffie
maar een surrogaat, een vervangingsmiddel, dat ik destijds
van huis had meegenomen. Hij was daar toen erg blij mee,
want echte koffie en thee was er allang niet meer en hij
vond dit bijna net zo goed als echte koffie.
Hij was ingenieur en hoewel hij een Duitser was, werkte hij
normaal voor de firma Brown & Bovary gevestigd in
Zwitserland. Als Duitser moest hij ook in militaire dienst.
Wij raakten aan de praat en ik vertelde hem dat wij wilden
“abhauen” naar Zwitserland. Ik had nog een pak Ersatz-koffie
in de koffer-kist en dat wilde ik hem wel geven. Toen zei
hij dat we maar moesten zorgen de volgende morgen vroeg bij
de Rijnbrug in Rheinfelden te zijn. Meer zei hij niet.
Wij vertrokken de volgende nacht met dezelfde groep als
waarmee we met de handkar uit Jagstfeld waren gekomen, ca 10
man en een vrouw, om lopend met onze bagage op tijd in
Waldshut te kunnen zijn om daar de eerste trein richting
Bazel te kunnen nemen. Dat was ca 4 uur in de ochtend.
Wij reden in een vrijwel lege trein en het begon al licht te
worden. Na verschillende stationnetjes arriveerden wij in
Rheinfelden en stapten daar uit.
Wij liepen door de uitgestorven straten naar de brug over de
Rijn. Toen wij daar aankwamen zagen wij dat de toegang tot
de brug en ook de aan weerzijden daarvan gelegen oevers met
een manshoge muur van prikkeldraad was afgesloten. Wat nu.
Er was niemand te zien en doodstil. We liepen heen en weer
voor de afgesloten brug en ontdekten opeens aan de
rechterzijde van de brug een smalle opening in de
prikkeldraadversperring.
Een voor een gingen we met onze bagage daar doorheen en
liepen op het voetpad aan de rechterzijde achter elkaar
gespannen en ook wat angstig de brug op naar de overkant in
de hoop dat we niet zouden worden ontdekt. In ons gevoel was
het een heel eind lopen om die brug over te steken en
hoopten we maar dat er niet zou worden geschoten. Maar tot
onze verwondering en opluchting gebeurde er niets en
bereikten we zowaar veilig de overkant.
Wij waren in Zwitserland! Aan de Zwitserse kant van de brug
was een militaire wachtpost en moesten wij onze paspoorten
inleveren en werden door de Zwitsers geïnterneerd.
Op een militaire vrachtwagen werden wij naar een
nabijgelegen interneringskamp gebracht. Dat was een eind
buiten het Zwitserse Rheinfelden. Nu zagen wij van die kant
van de Rijn de jachtvliegtuigen boven het Duitse grondgebied
vliegen, maar dat kon ons niet meer deren. Wij werden
ondergebracht in een gebouw met diverse grote ruimten en
ontdekten, dat wij lang niet de enigen waren die de
oversteek hadden gemaakt. Na door de administratie te zijn
geregistreerd werden wij naar een ruimte gebracht waar wij
de bagage die wij bij ons hadden moesten uitpakken en ons
moesten uitkleden. Wij waren hier in het z.g. vuile deel van
het gebouw. Ieder moest daarop een washok in waar twee
soldaten met douche en grote potten groene zeep klaar
stonden om met behulp van stevige borstels je van top tot
teen schoon te boenen. Dat gebeurde heel grondig.
Onder de hand werd alles wat je aan bagage en kleding bij je
had met behulp van enorme “flit”-spuiten met DDT-poeder
gedesinfecteerd; ook de houten kofferkist en het koffertje
werden onderhanden genomen. Dan mocht je de kleren weer
aantrekken en ging je het z.g. schone deel van het gebouw
in. Het “vuile” en “schone” deel van het gebouw werden
strikt gescheiden gehouden.
Wij kwamen in een grote ruimte terecht waar al mensen op de
houten grond zaten of lagen en moesten zelf maar een plekje
uitzoeken. Als dek kregen wij een dun soort paardendeken.
Hoewel de verlichting ’s-nachts onverminderd bleef branden
kon je toch wel op die harde vloer slapen. Soms werd je
wakker van de kou en bleek dat een ander je dekentje had
afgenomen. Er zat dan niets anders op dan de deken van je
buurman te pakken. Het eten was niet
royaal; als ontbijt meestal twee sneden brood, voor het
middageten een kom soep en als avondeten twee broodjes. Als
drinken meestal thee of melk. Voortdurend was militaire
bewaking aanwezig.
De Zwitsers waren kennelijk niet blij met al die
buitenlanders die in Duitsland de benen hadden genomen. De
behandeling was daar dan ook naar en soms kreeg je het
gevoel als een soort uitvaagsel te worden beschouwd. Door
hun manier van optreden begon je een hekel aan de Zwitsers
te krijgen.
Tot wij na korte tijd de passen terugkregen en bevolen werd
alles in te pakken en ons klaar te maken voor vertrek. Wij
werden in colonne opgesteld en daarbij geflankeerd door
soldaten met het geweer op de schouder. Wij marcheerden af
en kwamen op een treinemplacement terecht.
Wij moesten instappen in een gereedstaande trein en reden
weg. Bij elke deur van de treincompartimenten stond een
soldaat. Wij stopten zowaar op het station in Bazel, maar
vandaar ging de reis verder en kwamen wij in Olten terecht.
Daar moesten wij in een school overnachten en de volgende
dag ging het op dezelfde manier verder. De trein stopte in
Genève. Wij zagen op het perron goedgekleed publiek lopen en
wij hadden het gevoel dat enigszins misprijzend naar ons
werd gekeken. Daar werd de locomotief afgekoppeld en twee
stoomlocomotieven voor de trein gezet. De soldaten verlieten
de trein en verder ging het. Wij hadden geen idee waar we
heen gingen. We merkten dat we door bergland reden en
uiteindelijk kwamen we bij onze bestemming terecht, en dat
bleek Evian-les-Bains te zijn aan het Lac-Léman. Wij zaten
dus in Frankrijk!
Wij werden ontvangen in het Casino aldaar en werden weer
geregistreerd en ontvingen allemaal een pakket van het Rode
Kruis en een bedrag in Franse francs om te kunnen besteden.
Wij kregen daar ook een maaltijd en werden daarna verspreid
en gebracht naar particulieren in de stad die een bed
beschikbaar hadden gesteld. Dat was wel even anders
georganiseerd dan in Zwitserland. Overdag verbleven we in
het Casino waar we ook de maaltijden kregen en ook medisch
werden gekeurd. Met het geld konden wij in de winkels een
kleinigheid en eventueel een rokertje kopen en dat was al
heel wat. Op een gegeven moment moesten wij een plaats
opgeven in het bevrijde deel van Nederland, waar wij
eventueel naar toe zouden willen gaan als dat mogelijk was.
Alleen het zuidelijk deel van Nederland was bevrijd, dus gaf
ik maar het adres van mijn broer Rinus in Maastricht op. Wij
kregen allemaal een soort reisbiljet. De dag daarop, het was
een vrijdag, moesten wij naar het station en stond daar een
trein voor ons klaar met oude wagons en houten banken. Nadat
alles ingeladen was vertrok de trein en reed als een
boemeltje door het landschap. Wij wisten niet waar de reis
naar toe ging en veronderstelden dat we misschien naar
Marseille gingen om daar met een boot verder te gaan. Het
waren allemaal veronderstellingen. We reden maar en reden
maar; het werd donker en begon te regenen. De banken waren
hard en het dak van de wagon was lek en begon water naar
beneden te druppelen. De hele nacht voortsukkelen en op alle
stations die we tegen kwamen werd halt gehouden.
Het werd weer licht en ging het de hele dag op dezelfde
wijze verder tot we ontdekten dat we het station van Lyon
binnenreden. Nu wisten wij welke kant wij opgingen. Het ging
weer verder en werd de reis op dezelfde wijze voortgezet
Weer werd het avond (zaterdagavond) en in het begin van de
nacht reden wij een station binnen waar de trein stopte voor
een rustpauze. We mochten de trein verlaten om de benen te
strekken en kwamen tot de ontdekking dat we in Reims waren
aangekomen. We liepen op het perron wat heen en weer en
konden wat drinken en zag plotseling tot mijn verbazing mijn
neef Jan Engels, van het Stadionplein in Amsterdam, daar
lopen die samen met zijn broer Jack Engels in dezelfde trein
zat.
Zij moesten ook voor de “Arbeitseinsatz” naar Duitsland en
werkten bij de Kienzle-Uurwerkenfabriek in Villingen, ook
gelegen in het zuiden van het Scharzwald.
Hun vader, oom Antoon, was een broer van mijn moeder, die
werkzaam was als procuratiehouder bij de firma Hagemeijer &
Co. in Amsterdam, welke firma ook de Kienzlefabriek
vertegenwoordigde. Dat was een verrassing.
De trein ging weer verder en in de loop van Zondagmorgen
kwamen wij aan in het Belgische Ath. Dat was voor ons het
voorlopig eindpunt en trokken wij onder militaire
begeleiding te voet naar een kazerne in Ath waar wij de
nacht zouden doorbrengen.
De volgende morgen moesten wij weer terug naar het station
en bracht een trein ons naar Froyennes, een plaatsje bij
Tournai (Doornik) in Zuid-België bij de franse grens, waar
wij werden ondergebracht in een ontruimd meisjespensionaat.
Daar werden veel repatriërenden
opgevangen en hadden wij daar een goed onderkomen.
Binnen een week moesten wij weer pakken en gingen terug naar
de kazerne in Ath. De volgende morgen weer naar het station
voor vervoer per trein naar???.
Al spoedig bleek dat de trein richting Nederlandse grens
reed en ja hoor, in eens waren wij op Nederlands
grondgebied. De trein moest ergens over de grens stoppen en
kwamen mensen naar ons toe lopen. En overal hingen de
vlaggen uit. Het was nu 5 mei 1945 en wij wisten niet wat er
aan de hand was. Later hoorden wij dat op deze dag het
Duitse leger was gecapituleerd. Wij hadden dorst en vroegen
de mensen water te drinken. En het was ongelooflijk, maar we
konden alleen water krijgen als we betaalden…..! Het enige
wat ik in mijn zak had was een kwartje.
De trein ging verder en stopte in Tilburg. Dat was het einde
van de reis. Wij konden niet verder naar huis, omdat in
verband met de toestand in de rest van het land, voorlopig
niemand over de grote rivieren naar het noorden mocht.
Terug
in Nederland op 5 mei 1945
Toen ik het
station uitliep wilde ik wel eens een Nederlandse krant
kopen en zag een krantenverkoper en kocht van mijn laatste
kwartje voor vijf cent een krant genaamd “De Waarheid”. Ik
wist niet dat dit een communistische dagblad was.
Het was 5 mei 1945; overal hing de vlag uit en heerste er
een feestelijke stemming. Wij wisten nog niet wat er precies
aan de hand was, maar later hoorden wij dat op deze dag
Duitsland had gecapituleerd.
Wij werden opgevangen in een repatriëringkamp “Arendonck” en
na alle registratie te hebben doorlopen werden wij de dag
daarop, 6 mei, weggebracht naar Chaam waar ik samen met nog
een repatriant werd ondergebracht op de boerderij van de
familie Jacobs aan de Kleiweg nr A 257 in Chaam, Daar zouden
wij voorlopig blijven. Wij sliepen op de hooizolder op een
stromatras op de houten vloer. Mijn slapie heette ook
Schouten en was afkomstig uit Utrecht. Wij aten met de
familie mee en hielpen met voorkomende karwijtjes op de
boerderij. Iedere week konden wij bij het gemeentehuis ca. f
4,50 zakgeld ophalen en de boer kreeg voor ons een
vergoeding voor kost en inwoning.
Toch wilde ik proberen mijn broer Rinus in Maastricht op te
zoeken. Er woonden kennissen van ons in Breda, de fam. W.de
Jong, Nassausingel 22A , en ik wou proberen bij die mensen
wat geld te lenen zodat ik met de trein kon gaan.

Direct de
volgende dag liep ik door de Ulvenhoutse bossen naar Breda,
zowat 2 ½ uur lopen. De ontvangst bij de familie De Jong was
hartelijk en kreeg ik direct geld om even vooruit te kunnen.
Ik zou dat later met een postwissel terug betalen.
Ik kon met een provisorische treinverbinding tot Weert
komen. Het materieel dat beschikbaar was bestond alleen uit
een locomotief en goederenwagons. De reis duurde lang en
waren we pas tegen de avond in Weert. Nu een slaapplaats
zoeken. Ik wist dat in Weert een pensionaat van de Broeders
van Maastricht was, de orde waartoe Rinus behoorde. Ik ben
daar heengegaan en kon daar de nacht doorbrengen. De
volgende dag was het Hemelvaartsdag en ik zou vroeg gewekt
worden om de mis in de kapel bij te kunnen wonen. Om zeven
uur de klop op de deur en na het aankleden naar de kapel. Ik
liep door de gangen van het gebouw maar kon de kapel niet
vinden. Intussen hoorde ik de klokken luiden van de
naastgelegen parochiekerk, dus dacht ik daar maar naar de
kerk te gaan. Ik dus de deur uit naar de overkant, daar de
mis bijwonen en weer terug. Bel ik aan bij het pensionaat,
doet Broeder-Portier open en kijkt mij stomverbaasd aan.
“Nou heeft een ander Uw ontbijt opgegeten!” zei hij. “Er was
een mijnheer in de kapel om de mis bij te wonen en die wou
na afloop weer weg gaan. Maar ik zei, dat gaat niet, want U
moet eerst wat eten. Die man stribbelde tegen en zei dat hij
weg moest. Maar ik heb hem niet laten gaan en meegenomen
naar de eetzaal en toen heeft hij het ontbijt wat voor U
bedoeld was opgegeten. En daarna is hij weggegaan”. Ik
vertelde de broeder dat ik de kapel niet had kunnen vinden
en daarom maar naar de parochiekerk was gegaan. Na dit grote
misverstand heb ik toch nog een ontbijt gekregen en heb toen
afscheid genomen. Omdat er geen verder vervoer was, ben ik
gaan liften. Ik kon met iemand meerijden tot Roermond maar
moest wel voor de lift betalen! In Roermond moest ik een
reisvergunning aanvragen, welke werd verleend namens de
Militaire Commissaris voor N.-Limburg, om wegens
repatriëring via de Maasovergang Roermond naar Maastricht te
kunnen gaan. Op het station van Roermond wemelde het van de
Amerikanen, maar er was vandaar wel een mogelijkheid om met
een trein naar Maastricht te gaan. In Maastricht ben ik naar
het klooster de Beyart in de Brusselsestraat 38 gegaan om
daar Rinus op te zoeken. Nou dat was wel een weerzien. Het
eerste wat hij deed was een bad klaarmaken zodat ik mij
lekker kon poedelen. Bovendien organiseerde hij kleren en
een burgerpak voor mij zodat ik er weer netjes uitzag. Ik
mocht daar logeren en kreeg een kamertje in het
ziekenpaviljoen. Ik was niet de enige die in Maastricht
onderdak vond; het wemelde daar van de repatrianten.
Na een paar dagen bij Rinus te zijn geweest ben ik weer op
dezelfde manier teruggegaan naar Chaam. In de weekends liep
ik altijd naar de familie De Jong in Breda, waar ik dan een
nachtje kon slapen, en liep Zondags weer terug naar Chaam.
Omdat op de hooizolder waar wij sliepen ook bakken met bonen
en erwten en meel stonden, zag ik meestal wel kans om
daarvan wat mee te nemen naar Breda. Want de levensmiddelen
waren nog steeds alleen maar op distributiebonnen
verkrijgbaar en iets extra’s was altijd welkom. Mevr. De
Jong rekende daar al op en toen ik op een keer geen kans zag
om wat van die zolder mee te nemen en met lege handen voor
de deur stond, riep zij al van boven aan de trap: “Hé
Corrèke, hedde gij niks meegenomen, jonge..?”.
De weken verstreken en wij waren in spanning wanneer we nu
eindelijk de grote rivieren over mochten naar huis. Het was
wel mogelijk post naar huis te versturen en op het adres van
Jacobs had ik ook al post van thuis en van Jan uit Rijswijk
ontvangen. Op goed geluk stuurde ik Jan en Lenie een
pakketje met bonen, erwten, meel en een pakje shag. Later
hoorde ik dat het goed was aangekomen.
Het was half juni 1945 dat wij de boodschap kregen dat wij
ons moesten klaar maken voor vertrek naar huis. De blokkade
naar het noorden was opgeheven en konden wij afscheid nemen
van de familie Jacobs in Chaam om naar Tilburg te gaan, waar
wij moesten verzamelen op het station. Het was in de avond
dat een grote groep uit de regio Noord-Brabant met de trein
vertrok. Alleen wisten wij niet waarheen.
Het was al donker toen wij aankwamen op een station ergens
in een ons onbekende streek en moesten lopen naar de kade
aan een breed water waar een grote aak lag. Wij gingen aan
boord en daalden met onze spullen af in het grote ruim van
het schip waar ieder op de grond een plekje zocht. Het schip
stak van wal en wij vaarden de hele nacht door. Toen het
licht werd ontdekten wij dat we allemaal onder de zwarte
vegen zaten. Het bleek een aak te zijn waarin anders kolen
werden vervoerd.
Het was een lange tocht met die boot maar op een gegeven
moment ontdekten wij dat we in Rotterdam aankwamen. Het was
inmiddels middag geworden. Wij moesten met onze bagage naar
het station. Hoewel er op dat moment geen trein meer reed,
werd er toch een locomotief met een paar wagons gereed
gemaakt en vertrok de trein met honderden repatrianten aan
boord richting Den Haag, Haarlem en Amsterdam, waar op elk
station mensen bij hun thuishaven werden afgezet.

Tegen middernacht kwamen wij op ons eindpunt Amsterdam-C.S.
aan, waar registratie plaats vond en een vluchtig medisch
onderzoek werd gedaan waarbij ook onder de oksels werd
gekeken, omdat men beweerde dat ieder lid van de Duitse S.S.
een merkteken onder de oksels droeg.
Terug in Amsterdam
Voor het
station stonden bakfietsen klaar waarmee mensen naar
bepaalde wijken konden worden vervoerd. Ik ging in de nacht
met m’n houten kofferkist en een koffertje mee op een
bakfiets richting Zuid tot de Rijnstraat hoek Amstellaan
(tegenwoordig Vrijheidslaan).O, wat waren die mooie straten
kaal; al de bomen waren verdwenen! Later hoorde ik dat in de
afgelopen hongerwinter al die bomen door de mensen waren
omgehakt en opgestookt in noodkacheltjes, omdat er geen gas,
licht en verwarming was.
Het was vier uur in de ochtend en nog donker toen ik aankwam
op de Amsteldijk 153. Ik probeerde de bel en waarachtig, die
deed het.

Er was nog
geen elektriciteit, maar vader had nog een batterij waarop
de bel was aangesloten. Boven ging een raam van de zitkamer
open en ik riep naar boven: ”Ik ben er hoor!”. Even later
ging de deur open en was ik weer thuis. Er was geen licht en
moeder riep maar: “Ach, kon ik je maar zien, het is nog zo
donker”. Toen naar boven en werd het gelukkig al gauw licht,
en was de hereniging een feit.
Ik had van Jacobs in Chaam boterhammen meegekregen belegd
met ham. Die had ik bewaard tot thuis. Nou, je had ze moeten
zien toen dat op tafel kwam; het was lang geleden dat ze
zoiets hadden geproefd. Er was natuurlijk heel veel te
vertellen, maar moeder had in mijn slaapkamer altijd al het
bed klaar staan en na een wasbeurt (met koud water, want gas
was beperkt verkrijgbaar in bepaalde uren) dook ik heerlijk
weer in mijn eigen bed.
De volgende dag wilde ik op de fiets naar mijn zuster in
Koog a/d Zaan. Thuis had ik nog een tweedpak en wat kleren
liggen, dus fietste ik als ’t heertje naar De Koog, vanwaar
destijds alle narigheid begonnen was. Fantastisch dat alles
voorbij was.
Al ’s-middags kwamen er buurtjes bij Do een praatje maken en
een kopje santé (surrogaat thee) drinken. Tot ik plotseling
wakker schrok en merkte dat ik midden tussen de visite op
mijn stoel in slaap was gevallen en men had mij zo rustig
laten pitten. Ik geneerde mij dood. Maar na het eten lag ik
toch gauw in bed om de volgende dag op de fiets weer terug
naar huis te gaan.
Vader had Jan geschreven dat ik weer thuis was en kort
daarop kwamen Jan en Lenie in het weekend over de met
bomgaten bezaaide weg van Rijswijk naar Amsterdam gefietst
met aan de hand de kinderwagen achter zich aan, waarin de
kleine Thea lag, amper negen maanden oud. De familie
herenigde zich meer en meer.
Wat was hier in het laatste jaar van de bezetting gebeurd?
Jan was van Hilversum verhuisd naar Rijswijk, Verhagen
Metmanstraat, omdat hij een baan bij het TNO in Delft had
gekregen. Daar werd op 10-8-1944 hun dochter Thea geboren.
In november 1944 werden in Den Haag, en daarvoor ook in
Rotterdam, grote razzia’s gehouden. Alle mannen tussen de 17
en 41 jaar die nog in het land aanwezig waren, moesten zich
melden voor de arbeidsinzet in Duitsland.
Ook in Rijswijk werden alle woningen in opdracht van de
Duitsers systematisch doorzocht op zoek naar onderduikers.
Zo ook bij Jan en Leni. Maar toen hun woning werd doorzocht
was Jan onder de aanrecht in het keukenkastje gekropen en
zat hij als een rolmops opgerold onder de gootsteen. Zij
hebben hem niet gevonden, anders had hij ook kans gehad
tewerk te worden gesteld in Duitsland.
Om in de hongerwinter aan eten te kunnen komen reed hij wel
eens achter de kar van de schillenboer om te zien of daar
nog iets eetbaars bij was.
Toen hij eens op straat fietste, was daar plotseling een
razzia van de Duitsers en werd iedereen op straat
aangehouden en bij elkaar gedreven. De mannen werden
gescheiden van de vrouwen en moesten apart gaan staan.
Jan zag kans een shawl te lenen van een vrouw en die om zijn
hoofd te doen en bleef zo tussen de vrouwen staan. Hij werd
niet opgemerkt en dat was zijn geluk want de mannen werden
meegenomen om in Duitsland tewerk te worden gesteld.
Gé van Do was een stuk ouder en werkte in Zaandam bij Polak
& Schwartz Essencefabrieken, eigendom van twee welgestelde
joodse families. In de oorlogsjaren liepen ook deze mensen
gevaar afgevoerd te worden naar concentratiekampen in
Nederland of Duitsland en werd er meermalen op Gé een beroep
gedaan om bij Duitse instanties voor hen als intermediair op
te treden en regelingen te treffen opdat die mensen niet
zouden worden weggevoerd.
Nadat op 6 juni de invasie was begonnen in Normandië waren
de geallieerden inmiddels zover in Frankrijk en België
opgerukt dat begin september 1944 Zuid-Nederland (Brabant en
Limburg) kon worden bevrijd en men in het gebied boven de
grote rivieren verwachtte dat ook Noord-Nederland weldra
bevrijd zou zijn van de Duitse bezetter. De NSB’ers raakten
in paniek en probeerden de benen te nemen naar Duitsland
voor zij hier door de bevolking gemolesteerd zouden worden.
Men sprak hier van “dolle Dinsdag” en menige sympathisant
van de Duitsers werd te pakken genomen en zelfs werden
vrouwen die zich met Duitsers hadden ingelaten de haren
afgeknipt.
Maar het pakte anders uit; de slag bij Arnhem mislukte en
tegen de winter begon het grote Ardennenoffensief waardoor
de opmars van de geallieerden werd vertraagd.
Na “dolle Dinsdag” ging het gehele personeel van de
spoorwegen in staking en werd het treinverkeer totaal
platgelegd. Tot aan de bevrijding in mei 1945 reed er geen
trein meer. Het treinpersoneel moest wel ondergronds worden
doorbetaald en zo gebeurde het dat vader door ene mijnheer
Luif van de Spoorwegen, woonachtig op de Amstellaan (nu
Vrijheidslaan), werd benaderd met het verzoek of het
mogelijk was bij ons thuis kantoor te houden om op die
manier het stakend spoorpersoneel toch te kunnen uitbetalen.
En zo gebeurde het dat in een deel van de winter ‘44-’45
thuis een soort uitbetaalbureau gevestigd was. Totdat aan
voedingsmiddelen en verwarming zo een gebrek kwam, dat Do en
Gé vader en moeder naar De Koog haalden om daar de
wintermaanden door te brengen. Gé organiseerde nog wel eens
met vader of Do een “voedseltocht” per fiets, om bij boeren
in Noord-Holland serviesgoed of huishoudtextiel tegen
betaling te kunnen ruilen tegen aardappelen, bonen en erwten
of andere etenswaar.
Maar de bezetting was voorbij en moest het land opnieuw
worden opgebouwd. De toegebrachte schade was verschrikkelijk
groot en alles moest weer worden hersteld.
Veel producten bleven nog jarenlang “op de bon” en waren
niet vrij verkrijgbaar. Zelfs toen wij in 1951 trouwden was
de distributie nog niet opgeheven en moesten wij b.v.
serviesgoed en textiel nog op “punten” kopen. Voor schaarse
artikelen kreeg je “bonnen” of “punten” en daar moest je het
mee doen.
Na de oorlogsjaren
Ik heb hier in grove lijnen aangegeven wat tot mijn 21e jaar
gepasseerd was. Onze latere jeugd was gekenmerkt door die
bezettingsjaren. Maar ook na 1945 kregen wij een lange
periode van schrale wederopbouwjaren met minimale sociale
voorzieningen; er moest enorm veel hersteld worden, maar er
moest eerst geld en materialen zijn voor men aan de slag kon
en de arbeidsmarkt van de grond kon komen. In Amerika kwam
het Marshallplan van de grond en werd door de Amerikanen
veel geld in de economie van de door het oorlogsgeweld
getroffen Europese landen gepompt om zo de economie weer
overeind te helpen.

Kees Schouten
13 juli 1924 – 9 oktober 2008
18 foto's
uit het familiealbum

Amsteldijk -
1930

Amstellaan -
1930

Opening
Berlagebrug - 1932

Amstel - 1933

Uitzicht
Amsteldijk 153 - 1936

Amsteldijk -
1933

Rivierenlaan
- winter 1938 / 1939

Rivierenlaan
- winter 1938 / 1939

Amsteldijk
153 - 1940

Amsteloevers
- 1940/1941

Zorgvlied -
augustus 1941

Bevroren
Amstel - februari 1942

Rijnstraat -
februari 1942

Rozenoord -
februari 1942

Rivierenlaan
10 september 1942 met mijn oom Jos van Kuik

Rivierenlaan
156 met rechts mijn moeder en op de achtergrond lijn 25 -
1946

Rivierenlaan
156 met mijn oom Jos van Kuik - 31 maart 1951

Interieur
Thomas van Aquinokerk - 31 maart 1951
Guido Schouten (zoon
van Cornelis Johannes Schouten)
gmschouten (at) planet.nl
14 september 2009
reacties
mogen ook in het gastenboek worden geplaatst

Terug naar de vorige pagina << |