Ingezonden bijdrage van: Guido Schouten

Terug naar de vorige pagina <<

 

index ingezonden

Pagina van Guido Schouten

 

Het begon op 13 juli 1924

Opgetekende herinneringen van  Cornelis Johannes Schouten.

INHOUD

Thuis in de Vincent van Goghstraat
Naar de Amsteldijk
De jaren van de Tweede Wereldoorlog
De Februaristaking
Voor dwangarbeid naar Duitsland
Werken onder de Organization Todt
Ondergrondse fabriekshallen in de zoutmijnen bij Jagstfeld, (Heilbron)
Terug in Nederland op 5 mei 1945
Terug in Amsterdam
Na de oorlogsjaren

18 foto's uit het familiealbum

omhoog   Thuis in de Vincent van Goghstraat

Het gebeurde op zondag 13 juli 1924.
Volgens de Klimaatbank KNMI was op die dag 8.9 uur zonneschijn, geen neerslag en een gemiddelde temperatuur van 19.6 graden Celsius en weinig wind. Een prachtige dag dus.
’s Morgens had Pa Jan (Johannes, Antonius, Margarethus) Schouten Sr. (19-7-1888) de kinderen Jan, Do en Rinus bij zich geroepen en gezegd dat zij onder leiding van Jan Jr. (2-3-1914) naar Oma Engels (25-4-1863) op de Overtoom bij het Kattenlaantje moesten gaan en dat zij in de loop van de dag weer naar huis mochten komen.
Dat was een pittige wandeling maar zij waren het gewend want zij liepen haast iedere week met vader en moeder naar Oma Engels op de Overtoom, omdat veelal op Zondag de familie Engels daar bij elkaar kwam en tante Marie de familie verwende met thee, koekjes en limonade. Want bij Oma en Opa Engels woonden oom Henk en tante Marie, broer en zus van mijn moeder, die beiden ongehuwd waren en nimmer tot een huwelijk zijn gekomen. Oom Henk had wel eens serieus kennis gehad aan een meisje, maar Oma Engels was het daar helemaal niet mee eens en moest oom Henk tot zijn verdriet de verkering verbreken.
Zo ging dat in die tijd, “moeders wil is wet”.
Tante Marie verzorgde het huishouden; in haar prille jeugd was een stofzuiger nog onbekend en als in die tijd het vloerkleed wekelijks van stof moest worden ontdaan, werden vochtige theebladeren op het kleed gestrooid en met stoffer en blik weer opgeveegd.
De naam van Oma Engels was: Theodora Maria van den Berg, geboren in 1863 te Beek, gemeente Ubbergen, bij Nijmegen. In Beek en in Persingen, het kleinste plaatsje van Nederland en gelegen in de Ooypolder, woonde dus (en misschien nog) familie van moeders kant; veelal in boerenbehuizingen in het Nederlands-Duitse grensgebied, waarvan vooral neef Jaaije bekend was als gewiekst smokkelaar, en waar, naar ik mij herinner, voor zijn visite altijd de bessenjenever klaar stond.
Maar dit even terzijde.
Op het eind van die bewuste Zondagmiddag mochten ze weer terug naar huis wandelen en werden bij thuiskomst door vader opgewacht die hen meenam naar de slaapkamer waar zij een klein kindje zagen liggen. “Kijk”, zei vader, “dit is jullie nieuwe broertje”. Cornelis Johannes was geboren. Dat was in de Vincent van Goghstraat nr 50 in Amsterdam Oud-Zuid, tussen de Ferdinand Bol en de Pienemanstraat.
Zoals toen gebruikelijk kreeg hij terstond het H.Doopsel toegediend in de Vredeskerk aan de Pynackerstraat in Amsterdam-Oud Zuid, in aanwezigheid van de peter en meter, oom Jan Borghuis en zijn vrouw, tante Cor Borghuis-Schouten.
Mijn vader en moeder waren op 8 mei 1913 getrouwd en woonden tot 1923 in de Vrolikstraat nr 487 bij de Linnaeusstraat (in de jaren 1990 gesloopt en vervangen door nieuwbouw) en daarna in de Vincent van Goghstraat nr 50 (toen nieuwbouw, maar de nummering is inmiddels gewijzigd) tot maart 1930, waarna de familie verhuisde naar een nieuwbouw woning op de Amsteldijk nr 153.
Het gezin bestond uit vader (op 19-7-1888 geboren te Zutphen), moeder Alida, Agnes Maria Engels (op 16-8-1888 geboren te Amsterdam), broer Jan (Johannes, Theodorus, Christiaan, geb.13-3-1914, Amsterdam), broer Rinus (Marinus, Jean, geb.30-11-1915, A’dam), zuster Do (Theodora, Maria, geb. 19-8-1917, A’dam), broer Bob (Berend, Johannes, geb. 28-2-1920 te A’dam en overleden op 5-5-1926 te A’dam), en tot slot Cor (Cornelis Johannes, geb.13-7-1924 te A’dam), die later de naam “Kees” aan zou nemen omdat hij niet hetzelfde wilde heten als zijn peettante, tante Cor Borghuis-Schouten (halfzuster van mijn vader) uit Utrecht.
Wij woonden in een benedenhuis met vijf kamers maar zo klein, dat als wij op zaterdag in het achterkamertje de vaste pot met kapucijners, spek en gebakken aardappelen aten, ik eerst onder de tafel door moest kruipen om bij mijn plaats aan tafel te kunnen komen. Er was één kraan in huis, dat was in de keuken waar iedereen zich ’s morgens kon wassen; alleen mijn zuster had een lampetstel op het kamertje waar zij zich kon wassen en naar ik meen had ook mijn moeder zo’n lampetstel op de kamer.

Ik sliep met mijn broer Jan in een ijzeren bed met krullen en we lagen op een matras gevuld met zeegras. Mijn vader en moeder lagen luxer op een kapokmatras. Op Vrijdagavond mochten wij in bad. Dan werden keteltjes water op het gas gezet voor warm water. De kokusloper in de keuken werd opgerold en de zinken teil op de houten vloer gezet en gevuld met het warme water. Moeder deed ons om beurten in de de teil, steeds in hetzelfde water, en ik was als jongste altijd de laatste die in de teil gewassen werd, waarvan het water onderhand aardig vettig was geworden en afgekoeld maar dat werd verholpen met een nieuw keteltje warm water. Mijn vader was inmiddels hoofdopzichter geworden bij de Gemeente Tram van Amsterdam en dat hield in dat wij toen al een telefoon in huis kregen. Een houten kastje met een nikkelen draaischijf en een zwart-ebonieten hoorn; dat was in die tijd erg luxe, zoiets had haast niemand!
De zuster van mijn moeder, tante Jo, was getrouwd met Barend Siebelink, die uit hoofde van zijn functie ook een telefoon had, zodat de dames dagelijks uitgebreid contact met elkaar onderhielden.
Ik herinner mij uit die tijd nog de houten vuilnisbakken die twee keer per week werden geleegd en die je pas buiten mocht zetten als de man met de ratel door de straat was geweest en bij iedereen op de huisbel had gedrukt, de bedelaars die door de straat kwamen (mannetje op het stoeltje, de metselaar die zijn ruggengraat gebroken had, de straatmuzikanten in Volendammer kostuum, de man met de gepofte kastanjes met zijn oventje met walmende kachelpijp op een bakfiets die ’s-avonds in het donker door de straat kwam, de kattenmeppers die ‘s-avonds en in de nacht loslopende katten en honden van de straat haalden. En je werd gewaarschuwd voor de “boeman” die in het donker de kinderen meenam. Zo ging dat in die tijd, maar de schrik zat er wel in.
Toen ik vier jaar was kocht mijn moeder in een klein textielwinkeltje in de Pienemanstraat voor mij een rood mouwschort voorzien van een blauwe band met witte poppetjes erop, want ik ging naar de kleuterschool bij de zusters in de Rustenburgerstraat. Daar moest je onder andere de akten van geloof, hoop, liefde en berouw uit je hoofd leren en als je die niet op kon zeggen moest je op je knieën in de hoek van de klas gaan zitten met je armen omhoog! Als het te rumoerig was in de klas en je hield je mond niet dicht kwamen de twee zusters met lijmpot en plakband naar je toe en kreeg je een lik lijm en plakband op je mond.
Maar al spoedig werd er een nieuwe kleuterschool geopend op het Cornelis Troostplein, hoek Ferdinand Bolstraat, waar ik naar toe ging. Bij de opening en bezichtiging van de nieuwe school, waar je met je vader en moeder naar toe ging, werd meteen al op de zolderverdieping het hok getoond waar de ondeugende kindertjes werden opgeborgen. Die zusters wisten het wel!


Familie Schouten - 1926

Intussen had Rinus in augustus 1928 het huis verlaten en ging naar het Juvenaat St.Stanislaus in Zevenaar (13 jaar was hij) van de Broeders van de Congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis te Maastricht, om daar aan zijn opleiding tot onderwijzer te beginnen. Hij is tot het eind van zijn leven lid gebleven van deze Congregatie, resp. als onderwijzer, hoofdonderwijzer, overste en lid van het Provinciaal Bestuur.

omhoog   Naar de Amsteldijk

In maart 1930 verhuisden we naar een nieuw huis op de Amsteldijk 153. Een huis met zowaar een badcel en geiser er in; dat was toen nog niet verplicht om in een nieuwe woning in te bouwen. Een prachtig huis naast de tramremise. ’s-Avonds wel lawaai van de binnenkomende trams maar daar wende je wel aan. Mijn derde kleuterschool was in de Rijnstraat hoek Trompenburgerstraat, een heel moderne van de zusters (Dominicanessen), die goed met kinderen wisten om te gaan.


Amsteldijk 153

De lagere school werd de St.Martinusschool aan de Servaasnoutstraat/Ceintuurbaan bij de Amsteldijk. Ik herinner mij dat moeder mij de eerste dag daar naar toe bracht. Aan de deur stond Broeder Nicolaas ons op te wachten, die tegen mijn moeder zei: “Och, wat een mager ventje!”, waarop moeder thuisgekomen zei: “ Die broeder zag er zelf ook niet al te best uit!”.


St. Martinus school - 1931

Vier keer per dag heen en weer rennen tussen huis en school (best een heel eind) en iedere morgen om kwart over acht in de schoolmis in de Willibrorduskerk. Na de 1e H.Communie in de St.Thomas van Aquino, ging je van school uit om de 14 dagen biechthoren in de kerk, ook al had je niets kwaad uitgespookt; maar dan toch als penitentie Weesgegroetjes bidden. Later werd ik overgeplaatst naar de broederschool in de Oude IJselstraat.
Het was fijn wonen op de Amsteldijk en wij hebben daar een heerlijke tijd gehad. Beneden was een werkplaats van het trambedrijf en daar was ik veel te vinden. Vader knutselde daar veel en ik mocht hem helpen; zo leerde je gereedschappen en metalen te gebruiken. Ook was daar de stalling voor de grote Magirus-montagewagen met houten bovenbouw, massieve banden, koperen gashandel op het houten stuur en voorzien van een koperen luchthoorn, waarop de chauffeur, hr. Puper, mij leerde rijden en ik mocht na het werk de wagen altijd achteruit de garage in manoeuvreren. Tot op een middag ik naar school moest en hr Puper zei dat ik maar moest rijden. Daar reed ik als 11-jarige met dat bakbeest de Amsteldijk op, via Amstellaan (nu Vrijheidslaan), de Rijnstraat in tot de Oude IJsselstraat waar ik er uit moest om naar school te gaan. Loopt daar toevallig de baas (d.w.z. mijn vader) die dat allemaal zag gebeuren en toen waren de rapen gaar. De chauffeur kreeg als verantwoordelijke een enorme uitbrander en ik kreeg het thuis nog eens te horen. Rijden op de openbare weg was afgelopen.


Amsteldijk 153 - 1932

Het was in de jaren dertig, dat onze Do op de MULO-school door een medeleerlinge werd besmet met TBC en als 15-jarige werd opgenomen in een sanatorium in Dieren en later als 18/19-jarige voor een tweede keer in een sanatorium in Gennep. In 1945 moest zij nogmaals worden opgenomen in het sanatorium in Davos wegens longaandoening.
Als wij haar wilden bezoeken in Gennep, huurde vader een auto en reden wij daarmee naar het sanatorium. De eerste keer was na de Kerst en op de terugweg tussen Nijmegen en Arnhem vertikte de auto het. Inmiddels was het donker geworden en moest moeder achter het stuur zitten, hoewel zij zoiets nog nooit gedaan had. Vader, Jan en Rinus duwden de auto onderwijl naar moeder roepend: rechts!-links!-rechts!-enz., tot een garage gevonden was om de auto te stallen, (de wegenwacht bestond nog niet) om dan met de trein naar huis te gaan. Voor een tweede bezoek naar Gennep had hij een Citroën gehuurd (een z.g. “hoge hoed”), waarvan het rempedaal steeds dieper moest worden ingetrapt. Op de terugweg naar huis wilde vader bij Scherpenzeel een bus inhalen terwijl er een tegenligger aankwam; hij trapte de voetrem helemaal in maar die werkte niet meer naar behoren zodat een botsing onvermijdelijk was. Vooras krom, wielen stonden raar scheef, maar geen letsel. Dus verder met bus en trein naar huis.

De zomervakanties werden veelal in Egmond en Bergen doorgebracht, wat veelal een heel familiegebeuren was; heel gezellig. Ik had in die tijd veel last van bronchitis en dat was o.a. ook een aanleiding om op doktersadvies jaarlijks een hele maand de zeelucht op te gaan snuiven. In die jaren leerde Jan zijn Lenie kennen met wie hij in oktober 1939 trouwde. Jan leerde het vak glasblazen en deed zijn examens daarvoor in Leiden. Hij werd een uitstekend vakman en glastechnicus. Ook Do leerde Gé kennen met wie zij in oktober1940 trouwde. Het werd stil in huis. Ik had thuis op de Amsteldijk negen jaar lang de achterste slaapkamer met Jan gedeeld en kende dus al zijn verhalen en veel van zijn doen en laten. Hij was 10 jaar ouder dan ik en door dat verschil in leeftijd keek ik onwillekeurig toch met respect tegen hem op.

omhoog   De jaren van de Tweede Wereldoorlog

In september 1939 brak de oorlog uit tussen Duitsland en Engeland. Daarvoor had Duitsland in maart 1938 Oostenrijk al ingelijfd (der Anschlusz) en de Bondspresident Schussnigg gevangen genomen. Die inlijving geschiedde zonder bloedvergieten; de grenzen stonden open en het grootste deel van de bevolking juichte de Duitse troepen toe. Ook Tsjecho-Slowakije en Polen ondergingen hetzelfde lot. De opmars van Hitler en trawanten in Europa en later ook in Noord-Afrika was begonnen.
Mijn broer Jan werd september 1939 wegens de mobilisatie opgeroepen voor de militaire dienst. Hij was sergeantwachtmeester bij de Artillerie en gelegerd in Tull en ’t Waal bij Schalkwijk a.d. Lek en tijdens de nachtelijke inval van de Duitsers op 10 mei 1940 in Dubbeldam (Dordrecht). Toen zij ’s-nachts hun stellingen moesten innemen was hun geschut al in handen van Duitse parachutisten en voor zij het konden bereiken keken zij in de lopen van hun eigen kanonnen.
Op vrijdag 10 Mei 1940, ’s-morgens om 3.55 uur Nederlandse tijd, vlak voor zonsopgang, brak het door Hitler vastgestelde uur X van operatie Fall Gelb aan: het Duitse leger viel Nederland binnen, en op 15 mei 1940 moest Nederland capituleren na een hevige strijd op de Grebbeberg en de bombardementen van Arnhem en Rotterdam. Nederland was bezet met België en Denemarken. De bezetting zou tot 10 mei 1945 duren. Jan werd kort daarna gedemobiliseerd en kreeg een woning in de Kromme Mijdrechtstraat in Amsterdam. Zij kochten hun meubelen in de zaak van Jan des Bouvrie Sr. op de Ceintuurbaan bij de Hobbemakade, de vader van de later als woninginrichter en ontwerper zo bekende zoon Jan des Bouvrie.
Ook Do en Gé kregen een huisje aan de Pinkstraat in Koog a/d Zaan. Gé was werkzaam bij de firma Polak & Schwarz, een essence-, reukstoffen- en parfumfabriek in Zaandam en eigendom van twee joodse families. De parfum werd daar gemaakt van o.a. ladingen rozenblaadjes die tot extract werden verwerkt; dat werd uitgevoerd naar Parijs waar het in flesjes werd verpakt om daarna als franse parfum o.a. in Nederland te worden ingevoerd. Eerst werkte Gé daar op kantoor en later als vertegenwoordiger in het rayon Zuid-Holland. Na de tweede wereldoorlog werd de fabriek overgenomen door het Amerikaanse I.F.F. en verplaatst naar Hilversum. Vader was zeer bezorgd voor zijn dochter en gaf Gé te verstaan, dat hij wel met Do mocht trouwen maar dat hij eerst moest zorgen een bepaald salaris te verdienen en gaf aan hoeveel dat minimaal moest zijn!
Een nare tijd brak aan met volledige verduistering na zonsondergang en af en toe avondklok zodat je vanaf een bepaald uur niet meer op straat mocht zijn. Van lieverlee waren levensmiddelen, brandstoffen, kleding, enz. alleen op distributiebonnen verkrijgbaar en op den duur steeds schaarser en nam geleidelijk aan ook de jodenvervolging een aanvang.
Mijn vader kon het allemaal slecht verwerken en dat beïnvloedde zo zijn gezondheid, dat hij in 1943 op non-actief moest worden gesteld. Systematisch werden per wijk de woningen door de Duitsers doorzocht naar verborgen joodse mensen en onderduikers.
Zo werd op een zondagmiddag ook ons huis aan de Amsteldijk door Duitse militairen doorzocht (zoals dat ook toen bij Bep thuis gebeurde op de Rivierenlaan). Vroeg in de morgen was Oud-Zuid tot de Amstelkade en Berlagebrug afgezet en niemand kon er meer in of uit. Wij gingen zoals gebruikelijk op Zondagmorgen naar de Mis in de St.Thomas van Aquinokerk. Na afloop liepen we terug naar huis via de Kromme Mijdrechtstraat en achter ons kwam een echtpaar met twee kinderen lopen. Het was een joodse arts die via de Berlagebrug de wijk wilde verlaten. Hij zei dat hij arts was en dat de Duitsers hem als zodanig wel door zouden laten gaan. Vader zei dat hij dat niet moest doen omdat dat veel te gevaarlijk was. Zij luisterden niet en liepen in hun wanhoop toch naar de Berlagebrug. Daar werden zij vastgenomen en naar het Daniël Willinkplein gebracht om terstond met gereedstaande trams te worden afgevoerd.

Afschuwelijk! De joden werden uit hun huizen gehaald en met minimale bagage verzameld op dat plein (nu Victorieplein) voor de “wolkenkrabber” om vandaar met trams te worden gebracht naar het Centraal Station voor verder transport naar de concentratiekampen in Duitsland en Polen. Menigmaal werden wij gewaarschuwd voor razzia’s op jongemannen zodat ik verschillende keren de nacht in een werkkuil in de remise Lekstraat heb doorgebracht.
Vaak hoorden wij zowel overdag als ’s-nachts veel bommenwerpers overvliegen richting Duitsland, waarbij zoeklichten de hemel afzochten naar vijandige vliegtuigen en het afweergeschut volop in actie kwam en de granaatscherven kletterend op straat en op de daken vielen. Ook vielen er bommen in en om Amsterdam en zijn er verschillende in Zuid (Lekstraat, Vechtstraat, Retiefstraat) en in andere stadsdelen terechtgekomen. De Duitse bezetting werd grimmiger en elke weerstand werd terstond rigoureus de kop ingedrukt.
Mensen die verzet boden werden ter plekke geliquideerd en als vergelding voor gepleegde aanslagen werden argeloze voorbijgangers zo maar op straat opgepakt en bij elkaar gezet en direct zonder enige vorm van proces gefusilleerd. (Monument Apollolaan bij Beethovenstraat en in het Weteringplantsoen). De joodse wijken werden afgezet en de hefbruggen opgehaald van Weesperstraat en grachten in de gehele jodenbuurt, “Judenviertel”, zodat niemand er meer in of uit kon.

Ik werkte inmiddels op het Natuurkundig laboratorium van Prof. Clay op de Muidergracht / Plantage Kerklaan, en zag hoe daar op de hoeken van de straten de Duitse mitrailleurs werden opgesteld en leden van de Joodse Raad met registratielijsten in de hand medewerking moesten verlenen aan de Duitse militairen om de joodse bewoners, zowel gezonden als zieken op brancards, uit hun huizen te halen en met een bundeltje bagage in vrachtauto’s te laden om hen te verzamelen in de Hollandse Schouwburg gelegen aan de Plantage Middenlaan, ter verder transport per tram naar het Centraal Station, waar zij in goederentreinen werden geladen en terstond werden afgevoerd naar de concentratiekampen in Duitsland en Polen. Afschuwelijk was dat. En ieder die zich daartegen verzette onderging hetzelfde lot. In de gemeenten Amsterdam en Zaandam werd vanuit de burgerij hiertegen geprotesteerd, met als gevolg dat door de Duitse bezetter aan deze gemeenten zware boetes werden opgelegd.

omhoog    De Februaristaking

Tot op 25 februari 1941 vanuit de communistische hoek het gemeentepersoneel in beide steden werd opgeroepen tot algemene staking als protest tegen de jodenvervolging; praktisch iedereen gaf daaraan gehoor. Het Gemeentelijk Vervoerbedrijf en Reiniging lagen plat en vele particuliere bedrijven volgden dat voorbeeld. Deze staking heeft maar twee dagen kunnen duren want door de Duitse bezetter werd dit rigoureus de kop ingedrukt; van veel bedrijven werd de directie afgezet en kregen een “Verwalter”. De betreffende gemeenten kregen zware geldboetes opgelegd en veel mensen verdwenen in gevangenis of concentratiekamp of werden zonder meer als voorbeeld ter dood gebracht. Aan allen die aan de staking hadden meegedaan mocht geen loon worden uitbetaald; werkgevers die dat wel deden zouden worden bestraft.
Ook vanuit de katholieke kerk werd geprotesteerd tegen de jodenvervolging en werd onder gezag van kardinaal de Jong in alle kerken van Nederland tijdens de Zondagsdiensten vanaf de kansel een bisschoppelijke brief voorgelezen waarin de maatregelen van het Duitse gezag scherp werden veroordeeld. Dit was niet zonder risico, maar de Duitsers dorsten de kardinaal en zijn bisschoppen niet aan te pakken. Want elke daadwerkelijke hulp aan de joden werd door de bezetter zwaar gestraft, veelal met de doodstraf welke zonder uitstel terstond werd uitgevoerd. Hoofdzakelijk de joden en zigeuners werden vervolgd en veelal geliquideerd.
Inmiddels had Jan een nieuwe baan gekregen bij de T.N.O. (onderzoek technische producten) in Delft en verhuisden Jan en Lenie naar de Verhagen Metmanstraat in Rijswijk bij Den Haag. Omdat wij nu ruimte over hadden in huis werd van hogerhand beslist dat wij 2 ambtenaren, die waren overgeplaatst van Den Haag naar Amsterdam, in huis moesten nemen. Die zijn geruime tijd bij ons geweest en gingen in de weekenden naar huis; extra zorg voor mijn moeder. Met de scholen liep het ook in het honderd door de tewerkstellingen in Duitsland; jongelui vanaf ca.16 jaar liepen al kans dat ze daartoe gedwongen zouden worden.

omhoog   Voor dwangarbeid naar Duitsland

In juni 1943 was het dan zover en werd ik in het kader van de “Arbeitseinsatz” opgeroepen voor tewerkstelling (dwangarbeid) in Duitsland en moest ik mij melden in gebouw Atlanta op het Leidseplein. Direct was ik verdwenen en dook onder bij mijn zuster en zwager in Koog a/d Zaan. Maar weldra werd mijn vader duidelijk gemaakt, dat hij voor mij aansprakelijk zou worden gesteld als ik mij niet aanmeldde, met alle gevolgen van dien. Dat kon natuurlijk niet en besloot ik mij dan toch maar bij Atlanta in Amsterdam te melden.

Op een dinsdag was de keuring en kreeg ik de boodschap dat ik in Brandenburg bij Berlijn te werk zou worden gesteld. Niet best, want dat was een gebied waar veel werd gebombardeerd. (Na de oorlog bleek dat oom Johan Engels, een broer van moeder, daar bij bombardementen was omgekomen.)
Alles moest halsoverkop klaar gemaakt worden voor vertrek. Do maakte nog gauw van een paarse lap stof van moeder, een pyjama met mooie opgenaaide tressen voor mij en vader maakte van een soort houten hutkoffer een reiskist met draagbanden voor mij.
Door toeval ontmoette ik een oude klasgenoot van het Ignatius-College en die vertelde mij dat een groep oud-leerlingen van school met jongens van een andere middelbare school door bemiddeling van de scholen en de directie van de Amsterdamsche Ballast Mij (o.a. hr. De Vilder) uitgezonden konden worden naar een gezamenlijk bouwwerk van de Duitse Hochtief A.G. en de Ballast Mij in Waldshut in Zuid-Duitsland op de Zwitserse grens. Daar was weinig last van het oorlogsgeweld.
Ik meldde mij aan bij het Ignatius en kon ook ik met de groep mee.

Drie dagen later, op vrijdag, was vertrek van het C.S. en zat ik met een grote groep jongens in de trein naar Baden-Baden. ’s-Nachts aldaar overnachten op het perron en de volgende ochtend verder naar Waldshut, onderweg stationstrappen op-en-af-zeulend met een zware houten kofferkist en nog een koffer.
Aangekomen in Waldshut was het een heel eind marcheren naar het “Lager”, een afgesloten kamp met houten barakken waarin woonruimten met een tafel en twee houten banken en dito boven- en onderslaapplaatsen met een kast ernaast, en een grote ijzeren kachel midden in deze woonruimte. Daar we werden ontvangen door de “kok-Lagerführer” die ons duidelijk maakte dat, indien we wat wilden eten, we eerst direct aardappelen moesten schillen.
Daarna werd ons een slaapplaats toegewezen en kregen we een strozak die we moesten vullen met stro, om op te slapen en twee dunne paardendekens.
Het project waarop wij tewerk werden gesteld was de bouw van een electriciteits-krachtcentrale door de Hochtief A.G. (bestaat nog steeds) samen met de Amsterdamsche Ballast Mij. aan de oever van de Rijn op de Duits-Zwitserse grens, waarvan de turbines moesten worden aangedreven door water dat via pijpleidingen ondergronds werd aangevoerd vanuit de Schluchsee, een veertig kilometer verderop gelegen bergmeer in het Zuidelijk-Schwarzwald.
Op maandagmorgen om zes uur weksignaal d.m.v. een stuk spoorrail opgehangen aan een balk waarop met een ijzeren staaf geslagen werd.
Een van de jongens had een trompet meegenomen waarop door hem in het vervolg ’s-morgens op militaire wijze reveille werd geblazen en wij “eraus” moesten.
Halfzeven aantreden voor de werkindeling. Bijna iedereen kreeg een “schauffel” in de handen voor graafwerkzaamheden. Daar had ik niet zo’n trek in en toen de opzichter mij kwam vragen wat ik kon, zei ik “elektriker”; ik wist daar wel iets van en dat leek mij beter dan in de klei te graven. Ik was benieuwd hoe dat uit zou pakken. Er waren nog twee knapen die zich voor “elektriker” uitgaven en zowaar was er ook een echte Hollandse elektricien. Onze chef was een Duitse “elektro-meister”, Herr Gülz, een gemoedelijke man, die al gauw in de gaten had dat wij “amateurs” er eigenlijk niet veel van wisten. Hij was niet de beroerdste en leerde ons wat wij moesten doen en bracht ons de noodzakelijke kneepjes van het vak bij. Er was nog niets en moest de centrale vanaf de grond worden opgebouwd. Ons eerste werk was naar verschillende punten op het werkterrein bovengrondse elektrische 360 V. krachtleidingen aanleggen om machines, pompen, draglines, heimachines en cementfabriek van stroom te voorzien.

Dat hield in eerste instantie in 2 meter diepe kuilen graven waarin de elektriciteitsmasten geplaatst moesten worden, met twee man deze masten op je nek van de stapelplaats halen en in de gaten plaatsen. Dan met klimijzers aan je voeten en veiligheidsgordel om de masten in klimmen om glazen isolatoren te monteren waarop de drie krachtleidingen vanuit het transformatorhuis getrokken en gemonteerd moesten worden. Dat moest over het gehele werkterrein gebeuren en werden er op die manier heel wat kabels getrokken. Dat was de hele dag werken ongeacht of het regende of sneeuwde. Om aan het werk te wennen stopten wij in het begin om vier uur maar al gauw werd de werktijd tot half zes. Zaterdags werd tot vier uur gewerkt en ongeregeld moest ook op zondag gewerkt worden tot twaalf uur.
Door het ruwe werk was het onvermijdelijk dat je regelmatig verwondingen aan handen en benen opliep en door vuil ontstekingen en vaak grote zweren ontstonden die je meestal zelf uitkneep en zo mogelijk door een “sanitäter” liet behandelen. veelal bleven lidtekens achter. Met zo’n verzwering onder de nagel van mijn duim moest ik toch een dokter in Waldshut opzoeken. De man bekeek de duim en zei: “gaat U maar op een stoel zitten”. Hij haalde een tang en draaide daarmee zonder verdoving de nagel van mijn duim. Dat zal ik nooit vergeten, ik kon wel tegen het plafond springen.
Er werden ook mensen ingedeeld bij een z.g. “ram”-ploeg, d.w.z. helpen bij de bediening van een grote stoomheimachine (de Ram, genoemd naar het Duitse Dampframme), welke werd gebruikt voor het heien van damwanden en fundering. Zo’n machine werkte met stoom-cilinders en moest er altijd iemand van de heiploeg ’s-morgens extra vroeg op om het vuur onder de waterketel op te stoken, zodat er voldoende druk op de ketel stond om te kunnen beginnen met heien als de “Ram-Meister” op kwam dagen. Op Maandagmorgen verscheen die meestal enigszins beschonken op het werk.
Voor transport op het werkterrein werd een smalspoortreintje met aanhangwagentjes gebruikt en werd een ploeg mensen belast met het waar nodig aanleggen van smalspoortrajecten; dat was een echte schep- en sjouwploeg, trajecten egaliseren, bielzen aandragen en daarop rails leggen en monteren. En dan de locomotief er over en kijken of dat goed ging. Dat ging wel eens mis en ontspoorde (soms bewust) de boel. Er moest ook een traject worden aangelegd naar het nabij gelegen dorp Dogern, waar een treinstation was en daar aangevoerde materialen moesten worden opgehaald. Als het nodig was werden ook wij bij dit werk ingeschakeld.

Ik had van thuis een paar klompen en laarzen mee gekregen en die kwamen op het werk goed van pas. Er was een grote gezamenlijke doucheruimte; als de wasman (Bertus Nienhuis uit de Vechtstraat) de ketel had opgestookt voor warm water, kon je met zijn allen onder de sproeiers douchen en soms wel eens vuil goed laten wassen. Kleren moest je zelf repareren en ook sokken stoppen, want er werd geen kleding, sokken, ondergoed of schoeisel verstrekt. Voor ons vertrek was ons gezegd dat we zelf reparatiespullen moesten meenemen. Om kleding of ondergoed te mogen kopen moest je een aanvraag indienen bij de gemeente, maar zo’n verzoek werd praktisch altijd afgewezen.
Voor ’s-morgens en ’s-middags werd bruin brood verstrekt en tegen de avond kon je met een lamel eten halen bij de kok in de keuken. Eén keer in de week werd een witbrood met een stuk margarine en suiker verstrekt.
In de woonruimte waar wij met acht man verbleven stond een grote ijzeren potkachel waarmee wij in de winter de ruimte konden verwarmen. De kolenvoorraad haalden wij uit het kamp en deponeerden die op de houten vloer naast de kachel.
Het was een gemêleerd gezelschap met jongens uit bekende families (de Vilder, Kreymborg, van Pampus, Galavazi, Mutsaerts, e.a.) ,
We kregen een vergoeding van ca RM (geen DM) 0,65 (ca f 0,50) per uur en daarvan werd een bedrag ingehouden voor kostgeld en verblijf in het kamp. Wij hielden voor ons zelf niet zoveel over en gebruikten dat voor eten of drinken, want er was verder toch niets te koop.
De meesten waren Christelijk of R.K. en was het een verzetje om zo mogelijk op zondagmorgen naar een kerkdienst in Waldshut te gaan (ca 4-5 km lopen) en daarna in Zum Lam of Rheinischer Hof een Apfelstrudel of i.d. te drinken.
(Sterke drank was voor ons niet verkrijgbaar, wel af en toe een biertje).
Dan terug naar het Lager voor eten en ’s-middags was je vrij om als je zin had weer naar Waldshut te lopen naar de Kino van Frau Meyer in de Kaiserstrasse (de hoofdstraat) tussen de Oberes- en Unteres Tor, maar vaak was je te moe om naar de film te kijken en vielen je ogen dicht en had je de neiging om in te dutten.

Het werk aan de elektrische leidingen was niet geheel zonder risico, want soms werd in het transformatorhuis vergeten de stroom uit te schakelen als er boven in de electriciteitsmasten gewerkt moest worden.
Wat dat betreft heb ik een heel goeie bewaarengel gehad, wat ik ook in latere situaties zou ondervinden. Je werd op karwij gestuurd terwijl je niet wist dat de krachtstroom niet werd uitgeschakeld.Tot driemaal toe boven in een mast onder stroom gestaan door een onwillekeurige aanraking van een andere fase-geleiding of ankerverbinding naar aarde, waardoor de 360V-krachtstroom een uitweg zocht door je body en je niet weet hoe het komt dat je toch weer los kon komen. In het transformatorhuis worden de voedingskabels aan de verschillende stroomfase-rails gemonteerd. Ik moest ook kabels aan de rails monteren maar wist niet dat de boel onder stroom stond. Onwillekeurig raakte ik een tweede rail aan en gelijk werden de spieren van mijn handen om beide rails samen getrokken en kon niet meer los komen. Gelukkig stond iemand achter mij (maatje de Jong uit Amsterdam) die terstond mijn jas van achteren vastpakte en kans zag mij zo van de twee stroomrailsen af te trekken. De binnenkant van sommige vingers waren verbrand. Enorm geluk gehad.
We hadden bewegingsvrijheid in de Kreis Waldshut, d.w.z. ook in het omliggende gebied; we konden b.v. de trein pakken naar omliggende plaatsjes. Maar naar de overkant van de Rijn mochten we slechts kijken; dat was Zwitserland
De grens werd bewaakt door oudere gewapende Duitse militairen, terwijl overal schijnwerpers stonden opgesteld. Toch heeft een van onze jongens (ook ene de Jong uit Amsterdam) in het najaar van 1943 getracht ’s-nachts de Rijn over te zwemmen naar de overkant. De rivier maakt er een bocht en de stroming is erg sterk doordat daar de rivier de Ahr vanuit Zwitserland in de Rijn uitmondt. De Jong heeft het niet gehaald; hij werd tijdens het zwemmen ontdekt door de Duitse grenswacht en in het water doodgeschoten. Hij is een eind verderop uit het water gehaald en in het grensdorpje Dogern op het kerkhof begraven.
Kerstmis 1943 naderde. Er kan daar in de wintertijd enorm veel sneeuw vallen wat daar het Schwarzwald-landschap op een kerstkaart doet lijken. Met de Kerst naar de nachtmis in Waldshut waar wel vijf grote kerstbomen in de versierde kerk staan en na afloop naar “Zum Lamm” in de Kaiserstrasse voor kerstbrood en koffie, want de “Wirtschaft” blijft in zo’n nacht geopend. Er wordt twee dagen niet gewerkt, wat ons tijd gaf wat spullen te repareren en te wassen en een brief naar huis te schrijven. Want dat was wel mogelijk, hoewel alle post bij de Lagerfuhrer moest worden afgegeven en op een speciale kaart werd opgetekend. Ook kregen wij wel eens post van thuis.
Totdat op maandag 24 januari 1944 bij het opstaan bleek dat het kamp was afgezet en omringd met Duitse politie en militairen. Wat was er gebeurd.
Aan de Rijnoever van het werkterrein waarop de centrale werd gebouwd lag in het water een vlot waarop een kleine heistelling van ca 4 meter hoog.
Zonder dat wij er iets vanaf wisten en hadden opgemerkt had een groep van 20 man uit ons kamp het plan opgevat om de avond daarvoor met dat vlot te vluchten en de ca. 300 meter brede en krachtig stromende Rijn over te steken. Zij hadden plankjes uit de bedden gesloopt om de rivier over te peddelen. Hoewel zij zichzelf weinig kans gaven zijn zij met dat vlot met heistelling van wal gestoken en hebben als gekken gepeddeld om dat vlot door de sterke stroming van de door schijnwerpers beschenen Rijn te krijgen. Hoe was het mogelijk dat je in oorlogstijd en in het licht van schijnwerpers met twintig man peddelend met beddeplankjes door die stroming probeert te komen en dat het lukt om die overkant te bereiken, een hele langzame overtocht die twee uur duurde en als door een wonder door geen grenswacht werd opgemerkt. Het is best mogelijk dat op dat moment “goede” soldaten de “Wacht am Rhein” hebben gehad en de jongens hebben laten peddelen en bewust niet hebben opgemerkt. Zo iets is mij later ook overkomen.
Na de oorlog vernamen wij dat zij in Zwitserland tewerk werden gesteld bij wegenaanleg. Na terugkeer in Nederland werd door de Zwitserse regering nog een rekening gepresenteerd voor terugbetaling van kosten levensonderhoud tijdens hun verblijf aldaar. Die kwestie schijnt via Den Haag te zijn opgelost.
Maar dit voorval had voor ons wel gevolgen. Er werden direct maatregelen genomen dat het kamp werd afgesloten en wij konden dit slechts verlaten om onder militaire begeleiding naar het werk te gaan. Een zot gezicht, dat je daar door een met een geweer gewapende militair over de weg naar je werk wordt gebracht en gehaald.
Deze toestand heeft ruim zes weken geduurd. Het werd er niet leuker op. De Lagerführer werd vervangen door iemand met een SD-(Sicherheits-Dienst) achtergrond en ook mijn baas Gülz werd vervangen door een nieuwe chef met de naam Kaprasse, een drillerige kerel met een spits havikachtig gezicht onder een gleufhoed met brede rand, altijd in een breeduitstaande rijbroek met daaronder zijn O-benen gehuld in zwarte beenkappen, die nu op een uiterst onsympatieke manier zijn gezag over ons kon botvieren en dat duidelijk liet merken; niets was goed en hij was niet te beroerd om je te dreigen met opname in het “Erziehungslager”, een strafkamp waarin de mensen gedurende zes weken werden aangepakt en geleerd hoe ze moesten werken. Er zijn inderdaad enige jongens uit ons kamp wegens meningsverschillen daar naar toegestuurd, maar zij vertelden na terugkeer nooit hoe het daar was geweest; waarschijnlijk was dat hen verboden.
Ik kreeg er echt meer dan genoeg van en begon er over na te denken hoe ik daar weg zou kunnen komen. Als je ergens in een Wirtschaft wat wilde eten, moest je altijd een z.g. distributie-“Fettmark” van 5 of 10 gram afgeven. Iedereen kreeg periodiek een aantal van die distributiebonnen, waarop levensmiddelen gekocht kon worden. Ik had inmiddels gezorgd een voorraadje van die bonnen te hebben om als het nodig was, ergens te kunnen gaan eten. Bij een boerderij in de buurt had ik een fiets zien staan en was ik serieus van plan met die fiets de benen te nemen, dwars door het Schwarzwald naar het Noorden. Het laatste weekend in april 1944 leek mij gunstig om te vertrekken, omdat aansluitend op maandag 1 mei (dag van de arbeid) niet gewerkt zou worden en ik daardoor twee dagen speling zou hebben vòòr dat ik op het werk gemist zou worden. Echter op de bewuste zaterdagmorgen 29 april 1944 gebeurde er iets waardoor de situatie zich volkomen wijzigde.
De hoofdopzichter kwam naar mij toe en vroeg of ik kan “Mauern”, d.w.z. metselen.
Ik zei ja, hoewel ik dat nooit gedaan had. Hij zei tegen mij, dat ik mij dan maandagmorgen moest melden op het stadhuis van Waldshut. Zo gezegd, zo gedaan. Het idee van die fiets liet ik maar even varen.
Het bleek dat ze mensen nodig hadden om metselaars te helpen die in de stad reparaties moesten uitvoeren. Alle Duitse mannen van jong tot middelbare leeftijd waren gemobiliseerd voor het front en dus moest ergens anders hulpkrachten worden gezocht. En zo kwam ik in het metselaarswereldje terecht. Ik moest twee mannen helpen met hand- en spandiensten; ik kon goed met ze opschieten en het werk ging mij goed af. Ik moest wel iedere dag van het kamp naar de stad en terug lopen, maar dat vond ik niet zo erg.
Ik bleef dus onder het regiem van het werkkamp. Er was een gestadige toename van bewoners in het kamp. Er kwamen Fransen, Spahis (ruiters uit Marokko), Poolse en Oekraïense vrouwen, die uit hun land waren weggehaald voor tewerkstelling in Duitsland en op het land bij de boeren moesten werken. Ook kwam er een barak voor Poolse krijgsgevangenen gekleed in mooie Poolse legeruniformen (officieren?), die geregeld Rode Kruis-paketten ontvingen.
In augustus 1944 kregen wij zowaar een week verlof en mochten wij ons in de Landkreis Waldshut begeven. Je moest altijd een pas met “Aufenthaltserlaubnis” bij je hebben. Zo ging ik dus met Jan Snijders uit Haarlem op pad voor een voettocht door de Landkreis, via het Albtal naar Sankt Blasiën. Onderweg haalden we ons kostje wel op en zochten ons wel ergens een slaapplaats, meestal in een verlaten stal of hut. Bij St.Blasiën hadden we het beter getroffen. Wij ontdekten daar een sanatorium waar de patiënten overdag buiten onder een grote luifel in bedden verbleven. Die bedden bleven ’s-nachts leeg buiten staan en kropen wij daar ’s-avonds in om ’s-morgens vroeg weer te verdwijnen. Wat een luxe tussen de lakens te liggen! Zo zie je dat door de omstandigheden de normen op een lager pitje kwamen te staan. Het was een echte zwerversweek waarin we als vagebonden rondzworven, onbekommerd ons een willekeurige overnachtingplaats opzochten en de inwendige mens tevreden konden stellen.
Wat heeft een mens eigenlijk weinig nodig!
Bij terugkeer in Waldshut kreeg ik van de gemeente-opzichter te horen dat ik mij moest vervoegen bij Gipsermeister Herr J.Wolf, Eisenbahnstrasse nummer 3. Herr Wolf had een stukadoorsbedrijf met wel circa dertig man personeel gehad en klanten tot zelfs in het Zwitserse Zürich. Maar al zijn personeel was opgeroepen voor militaire dienst en had hij geen mankracht meer. Ik moest hem dus helpen en zo kreeg ik van hem een praktijkopleiding stukadoren! Mensen uit het Ruhrgebied die door bombardementen geen woning meer hadden, werden naar Zuid-Duitsland overgebracht en daarom moesten zolders van huizen in Waldshut worden omgebouwd tot woningen. Dat was heel hard werken bij Herr Wolf, die zelf al in de zestig was, maar het was een stuk prettiger dan op de Baustelle bij het kamp. Met de handkar of een echte houten ossenwagen met een os er voor! moesten materialen als zakken cement, gips, kalk en lange planken worden vervoerd en op je nek naar zolderverdiepingen op veelal de derde of vierde verdieping van die huizen worden gesjouwd en ook al het afval moest in grote ijzeren bakken op je rug naar beneden worden gedragen. De timmerman had dan al de houten betimmeringen gemaakt waartussen de wanden en plafonds moesten worden gemaakt. En met z’n tweeën elke twee weken zo een woonruimte afleveren! Plafonds van stro-cementplaten timmeren en dan daar tegenop plafonds trekken van gips en kalk en dat moest nog haaks op elkaar en recht en strak zijn. Dan moesten op dezelfde manier de wanden worden getimmerd en gestukadoord, strak en recht! Toch kreeg ik er tamelijk vlug handigheid in. Van lieverlee ook karweitjes bij particulieren opknappen; d.w.z. de mannen waren praktisch allemaal opgeroepen voor militaire dienst, dus trof je alleen de achtergebleven dames thuis. Die waren allemaal even vriendelijk en ze wilden allemaal wel je sokken stoppen. Maar ik hield het maar bij het karwei dat ik moest opknappen en verder geen problemen!
Het was hard werken bij hr. Wolf maar het was beter dan op de Baustelle. Hr Wolf was weduwnaar en hij had een zoon verloren aan het Oostfront. Zijn schoonzoon was ook in dienst en zijn getrouwde dochter was bij hem in huis alsmede nog een dochter die in Freiburg studeerde maar geregeld thuis was. Zij zocht mij wel eens op in de werkplaats en wij konden goed met elkaar opschieten, maar verder niets; ik was en bleef toch een buitenstaander. Tot op een maandagmorgen ik bij de werkplaats kwam en hr. Wolf mij opwachtte en vertelde dat de zaterdag daarvoor zijn dochter Gertrud in het nabij gelegen plaatsje Laufenburg op haar fiets door een auto was aangereden en daarbij dodelijk was verongelukt. Afschuwelijk was dat.
Zoals daar kennelijk gebruikelijk was werd op de dag van haar begrafenis de witte kist ’s-morgens op het trottoir langs de weg voor het huis geplaatst en bleef daar staan tot zij ’s-middags werd begraven. Hr Wolf kon het niet opbrengen zijn beroep langer uit te oefenen en het bedrijf kwam stil te liggen. Ik moest nu helpen bij de bouw van stenen noodwoningen voor mensen uit gebombardeerde steden.
In juni 1944 was de invasie in Normandië geweest, in Italië waren de geallieerden ook aan land gegaan en je kon merken dat er onrust kwam in het land. Steeds meer jongens vanaf 16 jaar en ook oudere mannen werden ingeschakeld om semi-militaire werkzaamheden als graafwerkzaamheden voor mogelijk op te werpen verdedigingsbarrières te verrichten.

omhoog   Werken onder de Organization Todt

Dat ging een tijd goed tot in het najaar van 1944 de toestand in het Oosten en in het Westen voor de Duitsers zo kritiek werd, dat werd afgekondigd dat buitenlandse dwangarbeiders onder het regiem van de Organization Todt moesten worden geplaatst. Dat hield in dat zij overal te werk konden worden gesteld waar mensen nodig waren. Todt was een hooggeplaatste nazi en onder zijn supervisie vielen alle bouwwerken welke ten behoeve van de nazi’s en het Duitse leger moesten worden gemaakt of aangelegd.
De bouwactiviteiten bij het kamp waren nagenoeg stilgelegd en alle beschikbare mankracht en materialen in heel Duitsland moesten worden aangewend om dat land aan de overwinning te helpen.
We hoorden geruchten dat de geallieerden in het Westen en de Russen in het Oosten oprukten en dat er zwaar werd gevochten.
In november 1944 was het zover. Een deel van de kampbewoners, waaronder ook ik, moesten hun bagage in vrachtauto’s laden en vertrokken met onbekende bestemming. We kwamen aan in Donaueschingen en werden in een loods met stapelbedden, waarboven altijd brandende grote lampen hingen, ondergebracht.

Wij moesten in de bossen landingsstrips van lange dunne boomstammen aanleggen, waarop Messerschmits-jachtvliegtuigen konden landen en opstijgen. Dit was het begin van een periode van minder prettige en tamelijk primitieve leefomstandigheden. En altijd weer zweren aan het lichaam, die je zelf uitkneep en probeerde door een “sanitäter” te laten verzorgen.
Na drie weken werden we weer verplaatst en kwamen in een schoollokaal in Haslach terecht. Vandaar gingen we in de s’-avond per vrachtwagen naar het station in Emmendingen waar in de nacht goederenwagens moesten worden gelost. Overdag kon dat niet want dan waren Engelse Spitfires in de lucht die op alles wat zich op de grond bewoog, hun raketten en mitrailleurs in duikvlucht afvuurden. Van hieruit konden wij het zware geschut horen dat in de Elzas bij de “Kaiserstuhl” werd gebruikt in de strijd tussen geallieerden en Duitsers.
Als matras kregen wij een hoes gevuld met houtzaagsel. Dat wordt na een keer gebruik net zo hard als een plank. Ik had mijn neven Jan en Jack Engels die in het nabijgelegen Villingen in een klokkenfabriek werkten geschreven waar ik was en wat voor werk wij moesten doen. Prompt kreeg ik twee dagen later een “Schuppo” (politie) aan mijn bed met een waarschuwing dat over zo iets niet geschreven mocht worden. Ook alle binnenlandse post werd dus gecensureerd. Met Kerst 1944 hoefden wij niet te werken en toen wij op het dorpsplein van Haslach in een Wirtschaft wat gebruikten, werd het centrum door Engelse jagers onder vuur genomen en kletterden de mitrailleurkogels door de straten.
In januari 1945 werden wij voor korte duur teruggebracht naar Waldshut om daarna begin februari op transport te worden gesteld naar Kochendorf bij Bad Friedrichshall, boven Neckarsulm en Heilbron.

omhoog   Ondergrondse fabriekshallen in de zoutmijnen bij Jagstfeld, (Heilbron)

Met een kleine groep kwamen wij terecht in een barak van een naar groenteafval stinkend Russisch krijgsgevangenenkamp. Het bleek dat wij bij een zoutmijn terecht waren gekomen en waarin wij tewerk werden gesteld. Het was een smerige bende.
Ik kan mij niet goed herinneren hoe de sanitaire voorzieningen daar waren, maar het was een vieze troep. Het bleek dus, dat de lege zoutkoepels onder de grond moesten worden gebruikt als bomvrije hallen voor de fabricatie van voor de oorlog benodigde producten. Daarvoor moesten door de bergen schuin naar beneden grote tunnels worden geboord naar de ondergrondse zouthallen om zo de benodigde machines naar beneden te kunnen transporteren.
Op het werkterrein was een loods voor het elektriciteitswerk en daar werd ik ingedeeld. Het werk was weer krachtstroomverbindingen maken zowel buiten als binnen in de te maken tunnel. Het toppunt was wel dat die afschuwelijke baas Caprasse uit Waldshut over dit soort werk hier de leiding had.
Met dynamiet liet men in de kop van de tunnel steeds stukken rots springen. De massa’s water welke uit de berg vrij kwamen werden met pompen naar buiten gepompt en terwijl de nieuwe stukken tunnelwand met cement werden dichtgemaakt en afgewerkt om het bergwater uit de wanden tegen te houden, moesten wij in de hoogte op steigerplankiers de voortgang in de kop van de tunnel volgen en steeds verder vooraan in de tunnel nieuwe verlichting aanbrengen.
Dat deed ik samen met een Belg. Als er weer gaten in de tunnelkop waren geboord en daarin dynamiet was aangebracht werden alle machines, pompen en transportbanden voor het afvoeren van brokken gesteente stopgezet en de tunnel geheel ontruimd, waarna de springstof tot explosie werd gebracht.
Het gebeurde dat ik samen met die Belg-collega boven op het plankier in de kop van de tunnel bezig was leidingen aan het plafond te monteren, toen het ons opviel dat het om ons heen totaal stil was en de waterpompen en transportbanden waren stilgezet en iedereen uit de tunnel verdwenen was. Wij schreeuwden naar de tunnelingang in de verte en hoorden vandaar terugschreeuwen: “Pas Auf: Sprengarbeiten!” : Wij gingen direct plat voorover op het plankier liggen met de armen over ons hoofd en gelijk ontplofte het dynamiet in de bergwand pal voor ons en vlogen met vreselijk lawaai stukken rotsgesteenten en troep over ons heen. Gelukkig was alles over ons heen gegaan en waren wij niet geraakt. Men had helemaal niet in de gaten gehad dat wij daar nog aan het werk waren. Het was wonderlijk goed afgelopen.
In het gebied waar wij nu waren werd veel gebombardeerd en vlogen ook overdag veel bombardementsvliegtuigen over. Als zo’n formatie van wel honderd vliegtuigen in een vierkant over vlogen gebeurde het wel dat dan een tapijt van bommen werd losgelaten wat een geluid veroorzaakte alsof er een hevige wind opstak. Je moest zorgen dat je bijtijds een schuilplaats had opgezocht. Zo zagen wij op afstand dat de NSU-fabrieken (auto’s en motoren) in Neckarsulm (bij Heilbronn) door zo’n bommentapijt geheel werden vernield.
Na korte tijd werden ik en een paar andere mensen ziek; beroerd en vreselijke diarree. En dat met die smerige poepdozen.
Wij verbleven in een Russisch krijgsgevangenenkamp en daar was dus Russische medische verzorging, of wat daarvoor door moest gaan. Ik kreeg een vrouwelijke Russische arts(?) aan mijn slaapkrib en die stelde vast dat wij dysenterie hadden en direct het kamp uit moesten voor opname in een ziekenhuis. Met een open vrachtwagen werden wij weggehaald en opgenomen in een ziekenhuis. Maar omdat alles ziekenhuizen vol waren kwamen wij terecht op de kinderafdeling van een ziekenhuis. Dat hield in dat wij op een zaal met kinderledikanten van 1.50 meter kwamen te liggen. Wij lagen daar dus met opgetrokken knieën in zo’n kort bedje, maar je had schoon goed op je bed en je kon je behoorlijk wassen en dat was al heel wat. Het eten was daar beter dan wat wij in het kamp gewend waren en kregen daar zowaar witbrood te eten. Bovendien kon je daar van een behoorlijk toilet gebruik maken. Dagelijks moesten wij op de pot en werd aan de hand van de inhoud de toestand van de patiënt vastgesteld. We hadden een pronte verpleegzuster, “Schwester Ruth”, niet-onaardig om te zien maar een die wel op een afstand bleef en ons zowaar ’s-avonds “welterusten” kwam zeggen. Maar zodra er luchtalarm was moesten wij wel ons bed uit en de schuilkelder in.
Na verloop van een week constateerden de doktoren dat de inhoud van de po’s er beter uitzag en als het zo bleef wij weer terug moesten naar het kamp. Dat was niet leuk want het beviel ons best in dat ziekenhuis. De volgende ochtend ben ik met mijn po met inhoud de gang opgegaan en heb die al roerende met een stokje even onder de kraan gehouden. Toen de dokter kwam vond hij dat het er toch niet al te best uitzag en ik nog maar even moest blijven. Dat heb ik nog even kunnen volhouden maar het duurde niet lang of ik moest terug naar het kamp waar allerlei mensen voor dwangarbeid waren ondergebracht.
Op een gegeven moment zagen wij een man en een vrouw langskomen; hij met een schep op zijn schouder en een kistje onder zijn arm. Het bleek dat hun kindje was overleden en gingen zij dat nu ergens begraven. Triest.
Je werkte voortdurend onder toezicht van jonge bewapende militairen. Waarschijnlijk ook omdat in de nabijheid een concentratiekamp was waarin Roemeense joden waren ondergebracht die ook in en om de zoutmijnen moesten werken en voor allerlei werkzaamheden werden ingezet; veelal graafwerk en het sjouwen van zware brokken gesteente afkomstig uit de tunnel. Bij ons werden twee Roemeense elektroningenieurs ingedeeld die hand- en spandiensten moesten verrichten. Er waren veel mensen bij met een hogere opleiding.
Ten aanzien van deze joden werden wij geconfronteerd met afschuwelijke en mensonterende situaties. In het kamp waarin zij verbleven was plaats voor de helft van het aantal mensen dat daar werd ondergebracht. Voor twee mensen was slechts één slaapplaats beschikbaar; de een moest overdag werken en de ander ’s-nachts. Zo konden zij met z’n tweeën één bed delen. Zij liepen allemaal rond in de bekende gestreepte gevangenenkleding met gestreepte muts op het hoofd.
Inmiddels was de situatie zo verward geworden en hoorden wij bij geruchte dat het oorlogsgeweld steeds dichter bij kwam, dat wij ons afvroegen hoe wij hieruit moesten komen en of wij ooit nog wel terug zouden kunnen keren. Door alles wat je om je heen zag werd je zelf ook harder en werd de situatie zo, dat ieder langzamerhand kostte wat het kost, alleen aan zichzelf ging denken. Het werd ook duidelijk dat bij ieder beschaafd mens in dergelijke bedreigende situaties op een gegeven moment alle normen kunnen vervagen . Zelfs van de ellende en dood van een ander keek je niet meer op en telt alleen nog je eigen-ik.
’s-Morgens vroeg kwam de dagploeg in colonne opdagen vanuit het joodse gevangenenkamp, onder toezicht van de eigen Kapo’s; dat waren ook joodse gevangenen die door hun goed en ijverig gedrag in het kamp, werden aangesteld als kameroudsten en toezichthouders op hun joodse medegevangenen. Dat was het systeem: Verdeel en heers! Dat deden die kapo’s ook en velen van hen waren feitelijk rotzakken die probeerden bij de Duitsers in een goed blaadje te komen en er niet tegenop zagen hun eigen medegevangenen af te blaffen en desnoods, als die niet snel genoeg konden doen wat van hun verlangd werd, aan te geven bij de Duitse kampleiding, wat voor de betrokkenen meestal fatale gevolgen had.
Iedereen moest mee naar het werk, ook de zieken en mensen die haast niet meer konden lopen. Die werden dan tussen twee medegevangenen naar het werk gesleept of gedragen en werden dan op het werk neergelegd. Als de ploeg na de arbeid weer terug keerde naar de barakken werden die mensen op dezelfde manier weer meegenomen. Maar meestal zag je na verloop van tijd die mensen niet meer terug. Als zij op het werk kwamen droegen velen grote keien mee en vroegen zij of wij vuur wilden maken in de grote ijzeren potkachel die in de werkplaats stond om daarop die stenen te verhitten. Als zij na het werk terug gingen naar hun barak droegen zij in lappen die verhitte stenen mee om die op hun slaapplaats te leggen om zich daaraan te kunnen verwarmen tegen de kou.
Wij kregen af en toe wel wat zeeppoeder om wat spullen te kunnen wassen. We moesten ook op Zaterdag en Zondagmorgen werken. Soms zagen we kans om op Zaterdagmorgen in onze werkplaats in een soort wasketel met wat zeeppoeder een warm sop te maken en daarin wat vuil goed van sommige joodse gevangenen te wassen, maar je moest wel oppassen dat niemand dat zag. Dat was het enige wat je voor hen kon doen, en zij waren er blij mee.
De activiteiten in de lucht namen steeds meer toe, steeds meer luchtalarm en voortdurend jachtvliegtuigen in de lucht die regelmatig in duikvlucht op hun doel doken en raketten afvuurden en met hun mitrailleurs schoten op alles wat zich op straat of weg bewoog. Aan de weinige treinen die nog reden was achteraan altijd een platte goederenwagen gehaakt waarop bemand afweergeschut was gemonteerd.
Bij geruchte hoorden wij dat Amerikanen en Fransen in het westen en de Russen in het oosten van Duitsland steeds verder oprukten en je merkte dat er onrust kwam onder de Duitsers. Van lieverlee zagen wij ook minder joodse gevangenen op het werk komen en ook onze elektroningenieurs kwamen op zeker moment niet meer opdagen. Wat er met hen is gebeurd weten wij niet. Ons groepje Nederlanders voelde de spanning in de lucht hangen en spraken we er wel eens over wat we zouden kunnen doen om weg te komen nu de frontlinies naderbij kwamen.
We wisten dat we weg moesten, maar hoe!
Een paar man uit onze groep hadden een schaap uit een weiland georganiseerd en geslacht, omdat in de kampkeuken niet veel eten meer voorradig was en wij op die manier iets aan ons rantsoen konden toevoegen. De situatie werd er niet beter op toen wij bemerkten dat men het kamp waarin de joodse gevangenen waren ondergebracht wilde ontruimen. Er kwam een trek naar het Oosten op gang. De geallieerden rukten op en kwamen dichterbij en men wilde niet dat deze gevangenen achter zouden blijven. Die moesten voor zover het kon mee in Oostelijke richting. De gevangenen die nog over waren werden te voet naar een nabijgelegen spoorlijn geleid en daar opgesteld om per trein te worden weggevoerd. Dat dachten zij en ook wij, maar het bleek dat zij daar ter plekke werden geliquideerd, niet eens met een kogel maar met de kolf van een geweer.
Je gevoelens werden verdrongen, je keek nergens meer van op en verhardde en ieder dacht alleen nog maar aan zichzelf.
We wilden hieruit en wisten een handkar te bemachtigen. We besloten met een groep van tien man en een vrouw (Zeeuws echtpaar) te voet richting Heilbronn en Stuttgart te trekken, ca. 50 km. Het was eind maart. Zodra het donker was gingen wij op weg, om beurten de kar duwen en trekken. De hele nacht door tot het licht begon te worden. Zodra het ochtend werd zochten wij langs de weg een schuilplaats op, want niets was overdag veilig voor de altijd in de lucht zijnde jachtvliegtuigen. Als het duister werd weer lopen, de hele nacht door tot het weer licht werd. Toch nog kans gezien een stuk met een trein mee te rijden tot Stuttgart. Er waren nu echt veel mensen onderweg die een veilig(?) heenkomen wilden zoeken maar niet goed wisten waarheen zij zouden gaan. Er waren groepen mensen die zich zowel naar het zuiden, het oosten en als naar het noorden verplaatsten en zo in tegenstrijdige richtingen trokken. In Stuttgart werd ons te verstaan gegeven dat wij naar Leipzig moesten. Daar voelden wij niets voor en probeerden op het station een trein te vinden die naar het zuiden ging. Dat lukte en kwamen daarmee tot Ulm. Het centrum van Ulm was grotendeels platgebombardeerd, alleen de Dom met toren stond nog overeind. Provisorisch waren gaarkeukens ingericht en en werd daar aan de mensen eten verstrekt. Dan op het station weer wachten tot er misschien een trein richting Immendingen en Singen ging om van daaruit te proberen Waldshut te bereiken. Ik had vanuit Jagstfeld de houten kist-koffer en een klein koffertje met spullen, kleding en goed dat nog over was meegenomen en zeulde dat met me mee, de houten kist op je nek. (Deze kist heb ik nog steeds bewaard.)
Gelukkig ging er nog een stoomtrein richting Singen en konden wij mee, d.w.z. je moest zorgen dat je een plekje in de overvolle trein veroverde, waar de mensen tot op de treeplanken en voor-en achterbalkons hingen. (De personenwagens van die treinen waren daar traditioneel zo gebouwd). Naar spoorkaartjes werd niet meer gekeken en die hadden wij ook niet. Op de tenders van de locomotief (d.i. het achterstuk van de stoomlocomotief voor de kolen- en watervoorraad) stond op de zijkanten de tekst: “Räder müssen rollen für den Sieg!”. Er was alleen nog maar bruinkool voorradig om het vuur in de locomotieven te kunnen stoken en dat hield in dat door de bruinkool de vuurroosters snel verstopt raakten en de machinist dan onderweg moest stoppen om met de stoker de stookroosters schoon te maken, zodat we weer verder konden. Een Duitse door de oorlog invalide geworden medereiziger kreeg onderweg veel pijn aan zijn been, en ik hoor het hem nog zeggen: “Verdammt nochmal, zum Teufel, das Bein”. Hij maakte zijn broek los en frummelde in zijn broekspijp en trok daaruit een houten kunstbeen. Toen hij de trein uit moest nam hij het kunstbeen op zijn nek en hinkte zo op een been de trein uit het perron op.
Vanuit Singen reed nog een trein richting Bazel en kwamen we daarmee in Waldshut aan en liepen vanuit het stadje met de bagage terug naar ons oude werkkamp.
Daar was het werk stilgelegd; er liepen mensen van de “Volksstürm” heen en weer, meest oudere mannen en heel jonge jongens van 14-, 15-jaar die ingedeeld werden bij de “Volksstürm”!
Ik zocht in Waldshut mijn oude baas Gipsermeister Wolf op, en vertelde hem mijn wederwaardigheden en wat we hadden meegemaakt. Toen ik hem vertelde dat in de zoutmijnen bij Jagstfeld Roemeense joden waren tewerkgesteld en hoe die daar werden behandeld en uiteindelijk waren geliquideerd, werd hij kwaad dat ik zoiets durfde te beweren en zei dat iets dergelijks onmogelijk was en niet waar kon zijn.
Hij geloofde dus absoluut niet dat zoiets in zijn land kon gebeuren.
Het was inderdaad zo dat, afgezien van de immer aanwezige en patrouillerende grenswachten en de met grote rollen prikkeldraad versperde grensovergangen naar Zwitserland alsmede de regelmatig overvliegende en af en toe mitraillerende Engelse of franse jachtvliegtuigen (de mosquitos), in het Zwitserse grensgebied weinig van de oorlog te merken was. Het was dus begrijpelijk dat mensen die in dergelijke streken woonden en niet direct bij het oorlogsgeweld waren betrokken, er soms nauwelijks idee van hadden van wat er zich in werkelijkheid in hun land afspeelde, afgezien van het feit dat ook hun zonen en jonge mannen opgeroepen waren voor militaire dienst en veelal naar het oorlogsfront moesten.
De zondag daarop, het was begin april 1945, gingen wij ’s-morgens in Waldshut naar de kerk en daarna in het stadje naar een Wirtschaft om een glas “most” (sap van geperste appels waarvan het suikergehalte zich nog moest omzetten tot een bepaald alcohol percentage) te drinken.
In de Wirtschaft zaten wij aan tafel met een militair die vanwege zijn middelbare leeftijd dienst moest doen als grenswacht. Ik kende de man, want hij patrouilleerde destijds geregeld op het werk van de Hochtief A.G. en had ik hem bij gelegenheid wel eens als “Tausch” een pakje Ersatz-koffie gegeven. Dat was dus geen echte koffie maar een surrogaat, een vervangingsmiddel, dat ik destijds van huis had meegenomen. Hij was daar toen erg blij mee, want echte koffie en thee was er allang niet meer en hij vond dit bijna net zo goed als echte koffie.
Hij was ingenieur en hoewel hij een Duitser was, werkte hij normaal voor de firma Brown & Bovary gevestigd in Zwitserland. Als Duitser moest hij ook in militaire dienst. Wij raakten aan de praat en ik vertelde hem dat wij wilden “abhauen” naar Zwitserland. Ik had nog een pak Ersatz-koffie in de koffer-kist en dat wilde ik hem wel geven. Toen zei hij dat we maar moesten zorgen de volgende morgen vroeg bij de Rijnbrug in Rheinfelden te zijn. Meer zei hij niet.
Wij vertrokken de volgende nacht met dezelfde groep als waarmee we met de handkar uit Jagstfeld waren gekomen, ca 10 man en een vrouw, om lopend met onze bagage op tijd in Waldshut te kunnen zijn om daar de eerste trein richting Bazel te kunnen nemen. Dat was ca 4 uur in de ochtend.
Wij reden in een vrijwel lege trein en het begon al licht te worden. Na verschillende stationnetjes arriveerden wij in Rheinfelden en stapten daar uit.
Wij liepen door de uitgestorven straten naar de brug over de Rijn. Toen wij daar aankwamen zagen wij dat de toegang tot de brug en ook de aan weerzijden daarvan gelegen oevers met een manshoge muur van prikkeldraad was afgesloten. Wat nu. Er was niemand te zien en doodstil. We liepen heen en weer voor de afgesloten brug en ontdekten opeens aan de rechterzijde van de brug een smalle opening in de prikkeldraadversperring.
Een voor een gingen we met onze bagage daar doorheen en liepen op het voetpad aan de rechterzijde achter elkaar gespannen en ook wat angstig de brug op naar de overkant in de hoop dat we niet zouden worden ontdekt. In ons gevoel was het een heel eind lopen om die brug over te steken en hoopten we maar dat er niet zou worden geschoten. Maar tot onze verwondering en opluchting gebeurde er niets en bereikten we zowaar veilig de overkant.
Wij waren in Zwitserland! Aan de Zwitserse kant van de brug was een militaire wachtpost en moesten wij onze paspoorten inleveren en werden door de Zwitsers geïnterneerd.
Op een militaire vrachtwagen werden wij naar een nabijgelegen interneringskamp gebracht. Dat was een eind buiten het Zwitserse Rheinfelden. Nu zagen wij van die kant van de Rijn de jachtvliegtuigen boven het Duitse grondgebied vliegen, maar dat kon ons niet meer deren. Wij werden ondergebracht in een gebouw met diverse grote ruimten en ontdekten, dat wij lang niet de enigen waren die de oversteek hadden gemaakt. Na door de administratie te zijn geregistreerd werden wij naar een ruimte gebracht waar wij de bagage die wij bij ons hadden moesten uitpakken en ons moesten uitkleden. Wij waren hier in het z.g. vuile deel van het gebouw. Ieder moest daarop een washok in waar twee soldaten met douche en grote potten groene zeep klaar stonden om met behulp van stevige borstels je van top tot teen schoon te boenen. Dat gebeurde heel grondig.
Onder de hand werd alles wat je aan bagage en kleding bij je had met behulp van enorme “flit”-spuiten met DDT-poeder gedesinfecteerd; ook de houten kofferkist en het koffertje werden onderhanden genomen. Dan mocht je de kleren weer aantrekken en ging je het z.g. schone deel van het gebouw in. Het “vuile” en “schone” deel van het gebouw werden strikt gescheiden gehouden.
Wij kwamen in een grote ruimte terecht waar al mensen op de houten grond zaten of lagen en moesten zelf maar een plekje uitzoeken. Als dek kregen wij een dun soort paardendeken. Hoewel de verlichting ’s-nachts onverminderd bleef branden kon je toch wel op die harde vloer slapen. Soms werd je wakker van de kou en bleek dat een ander je dekentje had afgenomen. Er zat dan niets anders op dan de deken van je buurman te pakken. Het eten was niet royaal; als ontbijt meestal twee sneden brood, voor het middageten een kom soep en als avondeten twee broodjes. Als drinken meestal thee of melk. Voortdurend was militaire bewaking aanwezig.
De Zwitsers waren kennelijk niet blij met al die buitenlanders die in Duitsland de benen hadden genomen. De behandeling was daar dan ook naar en soms kreeg je het gevoel als een soort uitvaagsel te worden beschouwd. Door hun manier van optreden begon je een hekel aan de Zwitsers te krijgen.
Tot wij na korte tijd de passen terugkregen en bevolen werd alles in te pakken en ons klaar te maken voor vertrek. Wij werden in colonne opgesteld en daarbij geflankeerd door soldaten met het geweer op de schouder. Wij marcheerden af en kwamen op een treinemplacement terecht.
Wij moesten instappen in een gereedstaande trein en reden weg. Bij elke deur van de treincompartimenten stond een soldaat. Wij stopten zowaar op het station in Bazel, maar vandaar ging de reis verder en kwamen wij in Olten terecht. Daar moesten wij in een school overnachten en de volgende dag ging het op dezelfde manier verder. De trein stopte in Genève. Wij zagen op het perron goedgekleed publiek lopen en wij hadden het gevoel dat enigszins misprijzend naar ons werd gekeken. Daar werd de locomotief afgekoppeld en twee stoomlocomotieven voor de trein gezet. De soldaten verlieten de trein en verder ging het. Wij hadden geen idee waar we heen gingen. We merkten dat we door bergland reden en uiteindelijk kwamen we bij onze bestemming terecht, en dat bleek Evian-les-Bains te zijn aan het Lac-Léman. Wij zaten dus in Frankrijk!
Wij werden ontvangen in het Casino aldaar en werden weer geregistreerd en ontvingen allemaal een pakket van het Rode Kruis en een bedrag in Franse francs om te kunnen besteden. Wij kregen daar ook een maaltijd en werden daarna verspreid en gebracht naar particulieren in de stad die een bed beschikbaar hadden gesteld. Dat was wel even anders georganiseerd dan in Zwitserland. Overdag verbleven we in het Casino waar we ook de maaltijden kregen en ook medisch werden gekeurd. Met het geld konden wij in de winkels een kleinigheid en eventueel een rokertje kopen en dat was al heel wat. Op een gegeven moment moesten wij een plaats opgeven in het bevrijde deel van Nederland, waar wij eventueel naar toe zouden willen gaan als dat mogelijk was. Alleen het zuidelijk deel van Nederland was bevrijd, dus gaf ik maar het adres van mijn broer Rinus in Maastricht op. Wij kregen allemaal een soort reisbiljet. De dag daarop, het was een vrijdag, moesten wij naar het station en stond daar een trein voor ons klaar met oude wagons en houten banken. Nadat alles ingeladen was vertrok de trein en reed als een boemeltje door het landschap. Wij wisten niet waar de reis naar toe ging en veronderstelden dat we misschien naar Marseille gingen om daar met een boot verder te gaan. Het waren allemaal veronderstellingen. We reden maar en reden maar; het werd donker en begon te regenen. De banken waren hard en het dak van de wagon was lek en begon water naar beneden te druppelen. De hele nacht voortsukkelen en op alle stations die we tegen kwamen werd halt gehouden.
Het werd weer licht en ging het de hele dag op dezelfde wijze verder tot we ontdekten dat we het station van Lyon binnenreden. Nu wisten wij welke kant wij opgingen. Het ging weer verder en werd de reis op dezelfde wijze voortgezet Weer werd het avond (zaterdagavond) en in het begin van de nacht reden wij een station binnen waar de trein stopte voor een rustpauze. We mochten de trein verlaten om de benen te strekken en kwamen tot de ontdekking dat we in Reims waren aangekomen. We liepen op het perron wat heen en weer en konden wat drinken en zag plotseling tot mijn verbazing mijn neef Jan Engels, van het Stadionplein in Amsterdam, daar lopen die samen met zijn broer Jack Engels in dezelfde trein zat.
Zij moesten ook voor de “Arbeitseinsatz” naar Duitsland en werkten bij de Kienzle-Uurwerkenfabriek in Villingen, ook gelegen in het zuiden van het Scharzwald.
Hun vader, oom Antoon, was een broer van mijn moeder, die werkzaam was als procuratiehouder bij de firma Hagemeijer & Co. in Amsterdam, welke firma ook de Kienzlefabriek vertegenwoordigde. Dat was een verrassing.
De trein ging weer verder en in de loop van Zondagmorgen kwamen wij aan in het Belgische Ath. Dat was voor ons het voorlopig eindpunt en trokken wij onder militaire begeleiding te voet naar een kazerne in Ath waar wij de nacht zouden doorbrengen.
De volgende morgen moesten wij weer terug naar het station en bracht een trein ons naar Froyennes, een plaatsje bij Tournai (Doornik) in Zuid-België bij de franse grens, waar wij werden ondergebracht in een ontruimd meisjespensionaat.
Daar werden veel repatriërenden opgevangen en hadden wij daar een goed onderkomen.
Binnen een week moesten wij weer pakken en gingen terug naar de kazerne in Ath. De volgende morgen weer naar het station voor vervoer per trein naar???.
Al spoedig bleek dat de trein richting Nederlandse grens reed en ja hoor, in eens waren wij op Nederlands grondgebied. De trein moest ergens over de grens stoppen en kwamen mensen naar ons toe lopen. En overal hingen de vlaggen uit. Het was nu 5 mei 1945 en wij wisten niet wat er aan de hand was. Later hoorden wij dat op deze dag het Duitse leger was gecapituleerd. Wij hadden dorst en vroegen de mensen water te drinken. En het was ongelooflijk, maar we konden alleen water krijgen als we betaalden…..! Het enige wat ik in mijn zak had was een kwartje.
De trein ging verder en stopte in Tilburg. Dat was het einde van de reis. Wij konden niet verder naar huis, omdat in verband met de toestand in de rest van het land, voorlopig niemand over de grote rivieren naar het noorden mocht.

omhoog   Terug in Nederland op 5 mei 1945

Toen ik het station uitliep wilde ik wel eens een Nederlandse krant kopen en zag een krantenverkoper en kocht van mijn laatste kwartje voor vijf cent een krant genaamd “De Waarheid”. Ik wist niet dat dit een communistische dagblad was.
Het was 5 mei 1945; overal hing de vlag uit en heerste er een feestelijke stemming. Wij wisten nog niet wat er precies aan de hand was, maar later hoorden wij dat op deze dag Duitsland had gecapituleerd.
Wij werden opgevangen in een repatriëringkamp “Arendonck” en na alle registratie te hebben doorlopen werden wij de dag daarop, 6 mei, weggebracht naar Chaam waar ik samen met nog een repatriant werd ondergebracht op de boerderij van de familie Jacobs aan de Kleiweg nr A 257 in Chaam, Daar zouden wij voorlopig blijven. Wij sliepen op de hooizolder op een stromatras op de houten vloer. Mijn slapie heette ook Schouten en was afkomstig uit Utrecht. Wij aten met de familie mee en hielpen met voorkomende karwijtjes op de boerderij. Iedere week konden wij bij het gemeentehuis ca. f 4,50 zakgeld ophalen en de boer kreeg voor ons een vergoeding voor kost en inwoning.
Toch wilde ik proberen mijn broer Rinus in Maastricht op te zoeken. Er woonden kennissen van ons in Breda, de fam. W.de Jong, Nassausingel 22A , en ik wou proberen bij die mensen wat geld te lenen zodat ik met de trein kon gaan.

Direct de volgende dag liep ik door de Ulvenhoutse bossen naar Breda, zowat 2 ½ uur lopen. De ontvangst bij de familie De Jong was hartelijk en kreeg ik direct geld om even vooruit te kunnen. Ik zou dat later met een postwissel terug betalen.
Ik kon met een provisorische treinverbinding tot Weert komen. Het materieel dat beschikbaar was bestond alleen uit een locomotief en goederenwagons. De reis duurde lang en waren we pas tegen de avond in Weert. Nu een slaapplaats zoeken. Ik wist dat in Weert een pensionaat van de Broeders van Maastricht was, de orde waartoe Rinus behoorde. Ik ben daar heengegaan en kon daar de nacht doorbrengen. De volgende dag was het Hemelvaartsdag en ik zou vroeg gewekt worden om de mis in de kapel bij te kunnen wonen. Om zeven uur de klop op de deur en na het aankleden naar de kapel. Ik liep door de gangen van het gebouw maar kon de kapel niet vinden. Intussen hoorde ik de klokken luiden van de naastgelegen parochiekerk, dus dacht ik daar maar naar de kerk te gaan. Ik dus de deur uit naar de overkant, daar de mis bijwonen en weer terug. Bel ik aan bij het pensionaat, doet Broeder-Portier open en kijkt mij stomverbaasd aan. “Nou heeft een ander Uw ontbijt opgegeten!” zei hij. “Er was een mijnheer in de kapel om de mis bij te wonen en die wou na afloop weer weg gaan. Maar ik zei, dat gaat niet, want U moet eerst wat eten. Die man stribbelde tegen en zei dat hij weg moest. Maar ik heb hem niet laten gaan en meegenomen naar de eetzaal en toen heeft hij het ontbijt wat voor U bedoeld was opgegeten. En daarna is hij weggegaan”. Ik vertelde de broeder dat ik de kapel niet had kunnen vinden en daarom maar naar de parochiekerk was gegaan. Na dit grote misverstand heb ik toch nog een ontbijt gekregen en heb toen afscheid genomen. Omdat er geen verder vervoer was, ben ik gaan liften. Ik kon met iemand meerijden tot Roermond maar moest wel voor de lift betalen! In Roermond moest ik een reisvergunning aanvragen, welke werd verleend namens de Militaire Commissaris voor N.-Limburg, om wegens repatriëring via de Maasovergang Roermond naar Maastricht te kunnen gaan. Op het station van Roermond wemelde het van de Amerikanen, maar er was vandaar wel een mogelijkheid om met een trein naar Maastricht te gaan. In Maastricht ben ik naar het klooster de Beyart in de Brusselsestraat 38 gegaan om daar Rinus op te zoeken. Nou dat was wel een weerzien. Het eerste wat hij deed was een bad klaarmaken zodat ik mij lekker kon poedelen. Bovendien organiseerde hij kleren en een burgerpak voor mij zodat ik er weer netjes uitzag. Ik mocht daar logeren en kreeg een kamertje in het ziekenpaviljoen. Ik was niet de enige die in Maastricht onderdak vond; het wemelde daar van de repatrianten.
Na een paar dagen bij Rinus te zijn geweest ben ik weer op dezelfde manier teruggegaan naar Chaam. In de weekends liep ik altijd naar de familie De Jong in Breda, waar ik dan een nachtje kon slapen, en liep Zondags weer terug naar Chaam. Omdat op de hooizolder waar wij sliepen ook bakken met bonen en erwten en meel stonden, zag ik meestal wel kans om daarvan wat mee te nemen naar Breda. Want de levensmiddelen waren nog steeds alleen maar op distributiebonnen verkrijgbaar en iets extra’s was altijd welkom. Mevr. De Jong rekende daar al op en toen ik op een keer geen kans zag om wat van die zolder mee te nemen en met lege handen voor de deur stond, riep zij al van boven aan de trap: “Hé Corrèke, hedde gij niks meegenomen, jonge..?”.
De weken verstreken en wij waren in spanning wanneer we nu eindelijk de grote rivieren over mochten naar huis. Het was wel mogelijk post naar huis te versturen en op het adres van Jacobs had ik ook al post van thuis en van Jan uit Rijswijk ontvangen. Op goed geluk stuurde ik Jan en Lenie een pakketje met bonen, erwten, meel en een pakje shag. Later hoorde ik dat het goed was aangekomen.
Het was half juni 1945 dat wij de boodschap kregen dat wij ons moesten klaar maken voor vertrek naar huis. De blokkade naar het noorden was opgeheven en konden wij afscheid nemen van de familie Jacobs in Chaam om naar Tilburg te gaan, waar wij moesten verzamelen op het station. Het was in de avond dat een grote groep uit de regio Noord-Brabant met de trein vertrok. Alleen wisten wij niet waarheen.
Het was al donker toen wij aankwamen op een station ergens in een ons onbekende streek en moesten lopen naar de kade aan een breed water waar een grote aak lag. Wij gingen aan boord en daalden met onze spullen af in het grote ruim van het schip waar ieder op de grond een plekje zocht. Het schip stak van wal en wij vaarden de hele nacht door. Toen het licht werd ontdekten wij dat we allemaal onder de zwarte vegen zaten. Het bleek een aak te zijn waarin anders kolen werden vervoerd.
Het was een lange tocht met die boot maar op een gegeven moment ontdekten wij dat we in Rotterdam aankwamen. Het was inmiddels middag geworden. Wij moesten met onze bagage naar het station. Hoewel er op dat moment geen trein meer reed, werd er toch een locomotief met een paar wagons gereed gemaakt en vertrok de trein met honderden repatrianten aan boord richting Den Haag, Haarlem en Amsterdam, waar op elk station mensen bij hun thuishaven werden afgezet.

Tegen middernacht kwamen wij op ons eindpunt Amsterdam-C.S. aan, waar registratie plaats vond en een vluchtig medisch onderzoek werd gedaan waarbij ook onder de oksels werd gekeken, omdat men beweerde dat ieder lid van de Duitse S.S. een merkteken onder de oksels droeg.

omhoog   Terug in Amsterdam

Voor het station stonden bakfietsen klaar waarmee mensen naar bepaalde wijken konden worden vervoerd. Ik ging in de nacht met m’n houten kofferkist en een koffertje mee op een bakfiets richting Zuid tot de Rijnstraat hoek Amstellaan (tegenwoordig Vrijheidslaan).O, wat waren die mooie straten kaal; al de bomen waren verdwenen! Later hoorde ik dat in de afgelopen hongerwinter al die bomen door de mensen waren omgehakt en opgestookt in noodkacheltjes, omdat er geen gas, licht en verwarming was.
Het was vier uur in de ochtend en nog donker toen ik aankwam op de Amsteldijk 153. Ik probeerde de bel en waarachtig, die deed het.

Er was nog geen elektriciteit, maar vader had nog een batterij waarop de bel was aangesloten. Boven ging een raam van de zitkamer open en ik riep naar boven: ”Ik ben er hoor!”. Even later ging de deur open en was ik weer thuis. Er was geen licht en moeder riep maar: “Ach, kon ik je maar zien, het is nog zo donker”. Toen naar boven en werd het gelukkig al gauw licht, en was de hereniging een feit.
Ik had van Jacobs in Chaam boterhammen meegekregen belegd met ham. Die had ik bewaard tot thuis. Nou, je had ze moeten zien toen dat op tafel kwam; het was lang geleden dat ze zoiets hadden geproefd. Er was natuurlijk heel veel te vertellen, maar moeder had in mijn slaapkamer altijd al het bed klaar staan en na een wasbeurt (met koud water, want gas was beperkt verkrijgbaar in bepaalde uren) dook ik heerlijk weer in mijn eigen bed.
De volgende dag wilde ik op de fiets naar mijn zuster in Koog a/d Zaan. Thuis had ik nog een tweedpak en wat kleren liggen, dus fietste ik als ’t heertje naar De Koog, vanwaar destijds alle narigheid begonnen was. Fantastisch dat alles voorbij was.
Al ’s-middags kwamen er buurtjes bij Do een praatje maken en een kopje santé (surrogaat thee) drinken. Tot ik plotseling wakker schrok en merkte dat ik midden tussen de visite op mijn stoel in slaap was gevallen en men had mij zo rustig laten pitten. Ik geneerde mij dood. Maar na het eten lag ik toch gauw in bed om de volgende dag op de fiets weer terug naar huis te gaan.
Vader had Jan geschreven dat ik weer thuis was en kort daarop kwamen Jan en Lenie in het weekend over de met bomgaten bezaaide weg van Rijswijk naar Amsterdam gefietst met aan de hand de kinderwagen achter zich aan, waarin de kleine Thea lag, amper negen maanden oud. De familie herenigde zich meer en meer.
Wat was hier in het laatste jaar van de bezetting gebeurd?
Jan was van Hilversum verhuisd naar Rijswijk, Verhagen Metmanstraat, omdat hij een baan bij het TNO in Delft had gekregen. Daar werd op 10-8-1944 hun dochter Thea geboren. In november 1944 werden in Den Haag, en daarvoor ook in Rotterdam, grote razzia’s gehouden. Alle mannen tussen de 17 en 41 jaar die nog in het land aanwezig waren, moesten zich melden voor de arbeidsinzet in Duitsland.
Ook in Rijswijk werden alle woningen in opdracht van de Duitsers systematisch doorzocht op zoek naar onderduikers. Zo ook bij Jan en Leni. Maar toen hun woning werd doorzocht was Jan onder de aanrecht in het keukenkastje gekropen en zat hij als een rolmops opgerold onder de gootsteen. Zij hebben hem niet gevonden, anders had hij ook kans gehad tewerk te worden gesteld in Duitsland.
Om in de hongerwinter aan eten te kunnen komen reed hij wel eens achter de kar van de schillenboer om te zien of daar nog iets eetbaars bij was.
Toen hij eens op straat fietste, was daar plotseling een razzia van de Duitsers en werd iedereen op straat aangehouden en bij elkaar gedreven. De mannen werden gescheiden van de vrouwen en moesten apart gaan staan.
Jan zag kans een shawl te lenen van een vrouw en die om zijn hoofd te doen en bleef zo tussen de vrouwen staan. Hij werd niet opgemerkt en dat was zijn geluk want de mannen werden meegenomen om in Duitsland tewerk te worden gesteld.
Gé van Do was een stuk ouder en werkte in Zaandam bij Polak & Schwartz Essencefabrieken, eigendom van twee welgestelde joodse families. In de oorlogsjaren liepen ook deze mensen gevaar afgevoerd te worden naar concentratiekampen in Nederland of Duitsland en werd er meermalen op Gé een beroep gedaan om bij Duitse instanties voor hen als intermediair op te treden en regelingen te treffen opdat die mensen niet zouden worden weggevoerd.
Nadat op 6 juni de invasie was begonnen in Normandië waren de geallieerden inmiddels zover in Frankrijk en België opgerukt dat begin september 1944 Zuid-Nederland (Brabant en Limburg) kon worden bevrijd en men in het gebied boven de grote rivieren verwachtte dat ook Noord-Nederland weldra bevrijd zou zijn van de Duitse bezetter. De NSB’ers raakten in paniek en probeerden de benen te nemen naar Duitsland voor zij hier door de bevolking gemolesteerd zouden worden. Men sprak hier van “dolle Dinsdag” en menige sympathisant van de Duitsers werd te pakken genomen en zelfs werden vrouwen die zich met Duitsers hadden ingelaten de haren afgeknipt.
Maar het pakte anders uit; de slag bij Arnhem mislukte en tegen de winter begon het grote Ardennenoffensief waardoor de opmars van de geallieerden werd vertraagd.
Na “dolle Dinsdag” ging het gehele personeel van de spoorwegen in staking en werd het treinverkeer totaal platgelegd. Tot aan de bevrijding in mei 1945 reed er geen trein meer. Het treinpersoneel moest wel ondergronds worden doorbetaald en zo gebeurde het dat vader door ene mijnheer Luif van de Spoorwegen, woonachtig op de Amstellaan (nu Vrijheidslaan), werd benaderd met het verzoek of het mogelijk was bij ons thuis kantoor te houden om op die manier het stakend spoorpersoneel toch te kunnen uitbetalen. En zo gebeurde het dat in een deel van de winter ‘44-’45 thuis een soort uitbetaalbureau gevestigd was. Totdat aan voedingsmiddelen en verwarming zo een gebrek kwam, dat Do en Gé vader en moeder naar De Koog haalden om daar de wintermaanden door te brengen. Gé organiseerde nog wel eens met vader of Do een “voedseltocht” per fiets, om bij boeren in Noord-Holland serviesgoed of huishoudtextiel tegen betaling te kunnen ruilen tegen aardappelen, bonen en erwten of andere etenswaar.
Maar de bezetting was voorbij en moest het land opnieuw worden opgebouwd. De toegebrachte schade was verschrikkelijk groot en alles moest weer worden hersteld.
Veel producten bleven nog jarenlang “op de bon” en waren niet vrij verkrijgbaar. Zelfs toen wij in 1951 trouwden was de distributie nog niet opgeheven en moesten wij b.v. serviesgoed en textiel nog op “punten” kopen. Voor schaarse artikelen kreeg je “bonnen” of “punten” en daar moest je het mee doen.

omhoog   Na de oorlogsjaren
Ik heb hier in grove lijnen aangegeven wat tot mijn 21e jaar gepasseerd was. Onze latere jeugd was gekenmerkt door die bezettingsjaren. Maar ook na 1945 kregen wij een lange periode van schrale wederopbouwjaren met minimale sociale voorzieningen; er moest enorm veel hersteld worden, maar er moest eerst geld en materialen zijn voor men aan de slag kon en de arbeidsmarkt van de grond kon komen. In Amerika kwam het Marshallplan van de grond en werd door de Amerikanen veel geld in de economie van de door het oorlogsgeweld getroffen Europese landen gepompt om zo de economie weer overeind te helpen.


Kees Schouten
13 juli 1924 – 9 oktober 2008

omhoog   18 foto's uit het familiealbum


Amsteldijk - 1930


Amstellaan - 1930


Opening Berlagebrug - 1932


Amstel - 1933


Uitzicht Amsteldijk 153 - 1936


Amsteldijk - 1933


Rivierenlaan - winter 1938 / 1939


Rivierenlaan - winter 1938 / 1939


Amsteldijk 153 - 1940


Amsteloevers - 1940/1941


Zorgvlied - augustus 1941


Bevroren Amstel - februari 1942


Rijnstraat - februari 1942


Rozenoord - februari 1942


Rivierenlaan 10 september 1942 met mijn oom Jos van Kuik


Rivierenlaan 156 met rechts mijn moeder en op de achtergrond lijn 25 - 1946


Rivierenlaan 156 met mijn oom Jos van Kuik - 31 maart 1951


Interieur Thomas van Aquinokerk - 31 maart 1951

Guido Schouten (zoon van Cornelis Johannes Schouten)
gmschouten (at) planet.nl
14 september 2009

omhoog

Terug naar de vorige pagina <<